Lees ook deel één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven en acht.

In deze serie is uitgebreid aandacht besteed aan hoe in ons hoger onderwijs het toezicht op kwaliteit is geregeld. In dit laatste artikel in deze serie wil ik het hebben over wat er beter kan aan de externe kwaliteitscontrole op opleidingsniveau. Want hé, na acht stukken over wat er allemaal niet deugt aan wetten, wetsvoorstellen, instanties en systemen, mag de lezer ook wel een visie verwachten over hoe het dan wél moet.

Hoe kan het beter?

Momenteel kennen we twee soorten controles op opleidingsniveau: beperkt en uitgebreid. De uitgebreide controle vindt plaats bij hogescholen en universiteiten die een toets op instellingsniveau niet hebben gehaald, of niet hebben gedaan. Bij de uitgebreide controles op opleidingsniveau is naast kwaliteit ook aandacht voor beleidsmatige onderwerpen. Terwijl als de opleidingskwaliteit goed is, we aan kunnen nemen dat bijvoorbeeld het personeelsbeleid ook op orde is. Als we die conclusie doortrekken, en de uitgebreide controles afschaffen, hoeft het panel van deskundigen dat langs komt zich alleen op de inhoud van het onderwijs te richten. En dat is toch veruit het boeiendst.*

Een andere verbetermogelijkheid is de controle van een opleiding aan de ‘achterkant’ te beginnen: bij het door de studenten gerealiseerde eindniveau. Ook nu al kijkt het panel van deskundigen naar de afstudeerstage, eindscriptie, de meesterproef, het eindportfolio, het kunstwerk, of wat het dan ook is waarmee studenten aantonen dat ze het gewenste eindniveau bereikt hebben. Wanneer het panel begint bij het eindproduct, en uit een steekproef blijkt dat de studenten het juiste niveau hebben, kunnen we er van uitgaan dat het onderwijs dat daartoe heeft geleid óók van niveau is. En geen verder onderzoek behoeft. Wanneer er uit de eindwerken van studenten wel blijkt dat ergens iets aan schort, kan een panel besluiten tot een controle ‘on site’, of gesprekken met de opleiding.

Voor de mensen die dit te ver gaat: deze werkwijze kan worden aangepast. Bijvoorbeeld door het panel inzicht te geven in een beperkt aantal andere stukken, zoals de notulen van opleidings- en examencommissies, of in externe evaluaties van het onderwijs.** Of door standaard gesprekken te houden met studenten en docenten (eventueel via de webcam), bijvoorbeeld met diegenen die betrokken waren bij de afstudeerwerken die het panel gezien heeft. Wanneer uit deze gesprekken en stukken rare dingen naar voren komen, kan een panel alsnog besluiten tot een visitatiebezoek.

Het voordeel van deze twee mogelijke aanpassingen in ons stelsel is dat enerzijds de lasten van het toezicht gereduceerd worden (en dat vindt onze Tweede Kamer belangrijk), en dat anderzijds de onafhankelijke controle door experts op het eindniveau van de opleiding blijft bestaan.

Versterken van de interne kwaliteitszorg: leve de opleidingscommissie

Samenhangend met deze aanpak zou echter wel de rol van de opleidingscommissies danig versterkt moeten worden. Dit is het belangrijkste interne kwaliteitszorgorgaan op opleidingsniveau. In praktijk komen deze commissies meestal niet vaker bijeen dan de twee keer per jaar die wettelijk minimaal verplicht is. Of zelfs dat niet eens. En krijgen de docenten in deze commissies nauwelijks uren beschikbaar voor dit werk, waardoor ze er (helaas) soms maar zeer beperkt tijd in investeren. De wet zou strengere voorwaarden moeten stellen voor opleidingscommissies, bijvoorbeeld door minimale ondersteuning en facilitering te regelen. Gedacht kan worden aan een minimum aantal bijeenkomsten (bijvoorbeeld eens per maand) en normen voor de vergoeding en de tijd die docenten en studenten krijgen voor hun werk in deze commissie.

Weg met de vierpuntsschaal

Een kleine verbetering binnen het huidige stelsel is het stoppen met de vierpuntsschaal. Een opleiding kan momenteel onvoldoende, voldoende, goed of excellent scoren. Dat suggereert echter een zekere mate van detail in de beoordeling, en een eenvormigheid in oordelen tussen de verschillende panels. Die eenvormigheid is echter een illusie. Panels bestaan uit een handjevol individuen, en hoe deskundig ook, een ander handjevol kan tot een andere afweging komen. Zeker als het oordeel toch al tot een voldoende leidt. Daarbij leidt de vierpuntsschaal tot allerlei oneigenlijk gebruik. De overheid gebruikt het om ‘prestatieafspraken’ te toetsen, waar een deel van de financiering van instellingen mee gemoeid is. Hierdoor wordt een ‘goed’ een doel op zich. En dat leidt weer tot perverse prikkels. Het hogere management gebruikt vervolgens deze scores in de managementcontracten met het lagere management. Waardoor een opleidingsdirecteur niet afgerekend wordt op ‘goed onderwijs’ maar op het al dan niet scoren van een ‘goed’ bij de visitatie. Dit kan door goed onderwijs aan te bieden, maar ook door het visitatiepanel zaken mooier voor te spiegelen dan ze zijn. En dat is weer jammer van de verbeterfunctie van het stelsel.

Een mooie afsluiter

Er kan dus van alles beter. Het goede nieuws is: dat lijkt deels daadwerkelijk te gaan gebeuren! De hierboven beschreven suggestie om kwaliteitscontroles beginnen met de output, is iets waar mee geëxperimenteerd gaat worden. En dat is goed nieuws, want deze experimenten vervangen de eerder in deze serie gelaakte experimenten met instellingsaccreditatie. In plaats van experimenten met iets onverstandigs en contraproductiefs, wordt er geëxperimenteerd met iets relatief vernieuwends en kansrijks. Met dank aan met name Pieter Duisenberg van de VVD, die tegen de wil van de minister en de eigen coalitiepartner in bleef hameren op het belang van een onafhankelijke controle op opleidingsniveau. Hij sloot een coalitie met de SP en met GroenLinks en kwam met een eigen voorstel.

Ook op het gebied van opleidingscommissies is er wat ten positieve veranderd. Onlangs besprak de Tweede Kamer een aantal voorstellen ter verbetering van de bestuurs- en medezeggenschapsstructuur. Hoewel ik daar weinig van verwachtte, ook omdat de minister vrijwel niets wezenlijks wilde veranderen, zijn de rechten van de opleidingscommissies toch flink uitgebreid, met dank aan de Kamer.***

Ten slotte: dat er dingen zijn die beter kunnen, laat onverlet dat het huidige controlesysteem best prima werkt, en het de afgelopen jaren ongelooflijk veel heeft bijgedragen aan de kwaliteit van ons onderwijs, in ieder geval in het hbo. Veel opleidingen zijn serieuzer werk gaan maken van het afstuderen, en hebben de lat inhoudelijk flink hoger gelegd. En daarmee de kwaliteit van het onderwijs stevig verbeterd. Er is veel meer aandacht voor het analytisch vermogen van studenten. Ze leren beter nadenken, verantwoorden hun keuzes beter, denken meer na over wat nou eigenlijk het (beroepsmatige) probleem is dat ze op willen lossen en waarom ze dat op een bepaalde manier gaan doen. Dat is pure winst. En ik durf de stelling aan dat die voor een heel groot deel op het conto van de opleidingskeuringen is te schrijven, en de wijze waarop die verbeterd zijn sinds 2011.

Omdat er al genoeg gezeurd wordt over de kwaliteit van ons hoger onderwijs en wat daar allemaal niet aan deugt, ben ik blij deze serie positief af te kunnen sluiten.

János Betkó was ruim vijf jaar lang secretaris bij opleidingscontroles (‘visitaties’) door onafhankelijke experts en was als bestuurslid van de Landelijke Studenten Vakbond betrokken bij de totstandkoming van de huidige wetgeving op dit gebied.

* Bovendien, zoals beschreven in het vorige stuk, werkt die instellingstoets ook nog vrij matig. Of hij moet worden afgeschaft of worden verbetert, laat ik hier in het midden.

** Zoals de nationale studentenenquête (NSE) of de HBO-monitor.

*** Wat onverlet laat dat er nog veel meer in had gezeten, in deze wijziging. Maar omdat dit de positieve afsluiter is gaan we het daar nu niet over hebben.

 

De afbeelding is afkomstig van Wikimedia Commons

Deze serie artikelen verscheen ook op sargasso.nl, dit artikel is ook verschenen op ScienceGuide.nl

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*