Dit stukje gaat, vanuit het grote geheel der wetten bezien, over een detail. Eigenlijk over een detail van een detail. Een klein deel van onze Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) gaat over de kwaliteitsborging van het onderwijs. Over dat deel wordt momenteel een discussie gevoerd, daar is hier eerder al over geschreven.* Dit artikel gaat over één artikel in het wetsvoorstel. Het voorgestelde wetsartikel luidt: “Aan artikel 7.3 wordt na het vierde lid een vijfde lid toegevoegd, luidende: 5. Het examen, bedoeld in het derde lid, dat met goed gevolg is afgelegd en de met het oog daarop vervaardigde werkstukken worden door het instellingsbestuur gedurende een periode van ten minste zeven jaar bewaard.”

Zoals gezegd, dit is een klein gedeelte van een geringe aanpassing van de WHW. En er is zelfs nagedacht over de uitvoering, hoe men ‘op de werkvloer’ zo min mogelijk last van deze maatregel heeft. In de Memorie van Toelichting staat: “Voorgesteld wordt dat eindwerkstukken (of beeldmateriaal daarvan) die met goed gevolg zijn afgelegd minimaal zeven jaar door de instelling bewaard moeten blijven. Het gaat dus om scripties, afsluitende onderzoeken of examens. Om administratieve lasten te beperken, vallen tentamens en werkstukken die gedurende de opleiding afgelegd danwel vervaardigd worden, niet onder deze bewaarplicht.”

Dat klinkt leuk, maar de vraag dringt zich op of de staatssecretaris die dit wetsvoorstel heeft ingediend (Zijlstra), de minister onder wiens verantwoordelijkheid dit momenteel valt, de ambtenaren van OCW en de Kamerleden die hierover moeten stemmen zich bewust zijn van de berg werk waar ze opleidingen mee opzadelen. Aangezien mijn werk bestaat uit het bezoeken van opleidingen ten behoeve van de zesjaarlijkse controle die ze moeten ondergaan, zie ik de nodige sets ‘eindwerkstukken’ voorbij komen. Zeker in het hbo gaat het dan vaak niet om een enkele scriptie per student.

Veel opleidingen, vooral in het hoger beroepsonderwijs, werken met portfoliotoetsing. Er is dan geen ‘meesterproef’ of ‘scriptie’ op het einde van de studie, maar studenten houden in een portfolio bij wat zij doen gedurende de laatste fase van de studie. Dat kan het laatste jaar, maar ook de laatste twee jaar zijn. Over dat portfolio wordt een assessment afgenomen en daarmee rondt een student zijn of haar studie af. Het gevolg van bovenstaande wetswijziging is dus dat veel opleidingen van al hun afstudeerders al het werk moeten bewaren wat het laatste jaar is geproduceerd – of zelfs de laatste twee jaar! Zo een portfolio kan zonder problemen bestaan uit een dikke ordner met materiaal. Stel je voor: een academie of instituut dat pak ‘m beet tweeduizend afstudeerders per jaar aflevert. Die krijgt er als deze wet wordt aangenomen aan het einde van een collegejaar tweeduizend ordners bij voor in het archief. En het jaar erna weer. En het jaar erna nog een keer. Na zeven jaar heeft dat instituut veertienduizend ordners in de kelder staan. Die daarvoor waarschijnlijk speciaal gegraven moet worden.**

Als dit alles nou nog verschrikkelijk nuttig en belangrijk was voor de kwaliteit van het onderwijs, à la, dan zou het wel de moeite zijn. Maar wat wordt nou eigenlijk beoogd met deze wet? Laten we teruggaan naar de memorie van toelichting: De wijziging is voorgesteld met het oog op het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs. Voor de periode van zeven jaar is gekozen, omdat de maximale accreditatieperiode zes jaar is en omdat deze aansluit bij het Burgerlijk Wetboek en bij de Algemene wet bestuursrecht waarin de bewaartermijn van de administratie eveneens op zeven jaar is gesteld. Dit is een bijzondere reden voor deze voor instellingen kostbare operatie. In de beoordelingskaders van de NVAO, die de leidraad zijn voor panels die voor een accreditatie een opleiding bezoeken, staat namelijk expliciet dat het panel zich richt op een door het panel bepaalde representatieve selectie van afstudeerwerken van de afgelopen twee jaar. Twee, niet zeven.

En laten we wel wezen, zo interessant zijn die werkstukken van drie of vier jaar geleden niet, laat staan zeven. Een accreditatiepanel heeft tot taak om een opleiding door te lichten, een aantal nuttige verbetersuggesties mee te geven en om te beoordelen of de opleiding voldoet aan de basiskwaliteit. Om tot zo nuttig mogelijke suggesties te komen en om een zo goed mogelijk oordeel te geven, moet een panel zich toch beroepen op zo recent mogelijke werken. Die focus op de laatste twee jaar in het accreditatiekader is dan ook heel verstandig. Bovendien: wat moet een panel met de informatie dat de kwaliteit van een paar scripties die vier jaar geleden geschreven zijn onder de maat is? Moeten ze een opleiding die momenteel wél studenten van voldoende kwaliteit aflevert daar met terugwerkende kracht op afrekenen? Terwijl die studenten inmiddels al vier jaar in de beroepspraktijk werkzaam zijn, en de managers en docenten van toen er misschien niet meer zitten? Daarnaast: de lat is de afgelopen jaren flink hoger komen te liggen als het op afstudeerwerk aankomt. Hoe eerlijk is het überhaupt als een eindwerkstuk van zes jaar geleden langs de meetlat van vandaag wordt gelegd? Praktisch gezien dient het bewaren van deze eindwerkstukken geen enkel doel voor het accreditatieproces. Of is het toch de bedoeling dat bijvoorbeeld een Onderwijsinspectie een opleiding moet kunnen ‘betrappen’ op het leveren van een wanprestatie vijf jaar na dato? Zo ja, zijn daar dan de inspecteurs voor, en is dit een doelmatige besteding van overheidsmiddelen? Ik vraag het me af.

Wat me nog het meest verbaast, is de gelatenheid waarmee het hoger onderwijs dit over zich heen laat komen. Vanuit de instellingen klinkt doodse stilte over dit punt. De koepels staan niet in de lobby-stand. Er zijn geen boze, ingezonden brieven van verontruste docenten in de krant. Je zou kunnen denken dat dit komt omdat het allemaal wel meevalt hoe verschrikkelijk het is, maar helaas. Op opleidingsniveau maakt men zich hier grote zorgen over en vindt men het een heilloze maatregel, “maar ach, het moet van de regering, je doet er toch niets aan”. Het doet me denken aan een hond die zo vaak geslagen is dat hij het inmiddels gewend is, en de moeite van het blaffen niet meer doet. Ik ben bang dat dit best wel een treffende metafoor kan zijn voor de verhouding tussen de staat en het hoger onderwijs.

Toch hoop ik dat de politiek nog tot inkeer komt op dit punt. Er zijn genoeg redenen voor om geen bewaartermijn van zeven jaar in te voeren. Het is een zinloze bureaucratie die de liberale partijen tegen zou moeten staan. Daarnaast heeft de werkvloer alleen maar last van het extra geschuif met papier, wat een rechtgeaarde arbeiderspartij af zou moeten schrikken. Maar misschien het belangrijkste: er ontbreekt een goede reden om dit wél in te voeren.

 

János Betkó is auditor en panelsecretaris. Hij heeft zelf geen enkele last van het oprekken van de bewaartermijn, maar vindt het een volslagen zinloze verspilling van tijd, geld en moeite. Hij vraagt zich overigens af waarom bijvoorbeeld een Vereniging Hogescholen dergelijke onzinwetgeving niet bestrijdt.

Dit artikel verscheen eerder in een iets andere versie op ScienceGuide.

*Mocht iemand het zich afvragen: uiteraard is de motie ‘om maar vast wat te doen voordat er een fatsoenlijke evaluatie ligt’ aangenomen. De minister heeft die gelukkig genegeerd.

**Ter nuance, één en ander is overigens misschien te verzachten door grootschalige digitalisering. Ik heb geen verstand van hoe duur of moeilijk het is om over te stappen op digitale portfolio’s. Ik vermoed dat het niet gratis is, en kan me voorstellen dat het ook omslachtig is, maar vast minder omslachtig dan archiefkelders graven. In dat licht is deze wet effectief een door de wetgever afgedwongen digitaliseringsslag. Het blijft echter onzinwetgeving.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.