Voor de liefhebbers van hoger onderwijs: onderstaande tekst is een recensie van een recensie van een bundel over de universiteit.

Met enige verbazing las ik op ScienceGuide het stuk Niemand wil college geven in de regen, geschreven door UvA-student Vincent de Haan. Hij bespreekt de bundel ‘Waartoe is de universiteit op aarde?’ onder redactie van Ad Verbrugge (VU).

Nu heb ik die bundel niet gelezen, dus ik vind er ook (nog) niets van. Niettemin heb ik wat moeite met de recensie van De Haan, zowel inhoudelijk als qua argumentatielijn.

Zo is De Haan een groot voorstander van schaalvergroting, een “absolute noodzaak” volgens hem. Met de enorme toestroom naar de universiteit is het onmogelijk om studies kleinschalig te houden: waar moeten al die studenten dan naartoe?” Kritiek op schaalvergroting gaat niet alleen over groepen die groter worden omdat er meer studenten komen, maar is vaak gericht op de schaal van de instelling. Het is kritiek op de ongebreidelde fusiedrang die het hbo jaren geleden in zijn greep had, en momenteel verschillende universiteiten lijkt te bevangen. Het is een legitieme vraag of er één student beter les heeft gekregen doordat twee of meer hogescholen, die tientallen kilometers van elkaar verwijderd zijn, onder één vlag zijn komen te vallen. Daarnaast zijn er sterke aanwijzigen dat schaalvergroting in de publieke sector juist eerder negatieve dan positieve effecten heeft voor de bedrijfsvoering. Een absolute noodzaak is er geenszins, reden om schaalvergroting kritisch te benaderen des te meer.

De auteur is blijkens zijn recensie een voorstander van rendementsdenken en moet niet zo veel hebben van het pleidooi voor meer bildung in de bundel van Verbrugge, vooral gezien de tijd die daar voor nodig is. “De overheid betaalt de universiteiten en wil graag dat studenten afstuderen –bij voorkeur zo snel (en dus goedkoop) mogelijk. Gevolgen hiervan zijn dat studenten worden geteld, de goede worden geselecteerd en de slechte heen worden gezonden. Ook worden allerlei financiële prikkels bedacht, zowel voor universiteiten als voor studenten, om snel af te studeren. Is dit slecht? … De auteurs lijken echter te denken dat studeren gratis is.” De Haan lijkt echter te denken dat lang studeren veel geld kost voor de overheid. Dit is een populaire misvatting, die echter regelmatig ontkracht is, bijvoorbeeld ten tijde van de discussie over de langstudeerboete. Ook lijkt hij niet helemaal te begrijpen wat het probleem is van financiële prikkels: dat ze vaak niet of averechts werken.*

De recensie gaat verder met het cliché van ‘de luie student’: “Bovendien gaan de auteurs uit van een fictie dat studenten nu bijzonder hard studeren. … de ervaring leert dat studenten gemiddeld veel minder dan de voorgeschreven veertig uur per week studeren. Blijkbaar hebben ze dus tijd genoeg.” Als studenten gewoon wat harder werken, dan kan die bildung best in minder tijd, blijkbaar. Waarbij er aan voorbij wordt gegaan dat 1) studenten naast hun gemiddeld dertig uur studie een bijbaan hebben van gemiddeld acht uur per week**, waardoor ze voor Nederlandse begrippen een heel behoorlijke werkweek hebben en 2) ‘bildung’ niet iets is dat per se te bereiken is met nog sneller en harder studeren, maar gewoon tijd nodig kan hebben. Opjagen heeft dan geen enkele zin.

Verschillende auteurs in de bundel die hij bespreekt, zijn kritisch op het bedrijfsmatig runnen van een universiteit. De Haan vindt dat echter prima, want vastgoed en financiën zijn heel belangrijk. Hij schrijft: “Niemand wil college geven in de regen. Dat klinkt banaal, maar een logisch gevolg is dat de universiteit zich met vastgoed bezig zal moeten houden.

Hier maakt hij een karikatuur van de kritiek die er is op de manier waarop onderwijsinstellingen omgaan met vastgoed. Die is namelijk niet dat er gebouwen zijn (al dan niet met een dak erop), maar dat veel bouwprojecten onnodige prestigeprojecten zijn, en dat instellingsbesturen in het onderwijs onverantwoordelijk omgaan met vastgoed en er te veel geld aan spenderen. Ongeacht of deze kritiek terecht is of niet, hem op deze manier wegzetten draagt niet bij aan de discussie.

Ook zij die kritiek hebben op moderne managementtechnieken, volgens de auteur ‘noodzakelijk en zeer wenselijk’, moeten het ontgelden:

De vraag waarom zij dan zo tegen zijn, is niet eenvoudig te beantwoorden. Ik doe dan ook slechts een poging. … De academie van vroeger was … voor haar docenten en studenten een zeer prettige plaats. Er zijn verhalen over hoogleraren die nooit meer publiceerden, noch onderwijs gaven … Zij konden hun hobby beoefenen op kosten van de gemeenschap. Studeren – of beter: een studentenleven leiden – kon meer dan tien jaar worden voortgezet, waarin rustig over alle grote levensvragen nagedacht kon worden. In de praktijk werd vooral nagedacht over de altijd moeilijke keuze tussen bier en wijn.

Het getuigt van veel mensenkennis, dat De Haan hier in het hoofd kan kijken van die mensen waar hij het niet mee eens is. Het zijn gewoon luie, verwende lapzwansen, die weemoedig terugverlangen naar de tijd waarin de universiteit nog een luilekkerland was. Zo, dat is makkelijk! Hij weet dit, want “daar zijn verhalen over”. Dit ad hominem ‘van horen zeggen’ argument doet eerder afbreuk aan zijn betoog, dan dat het iets bijdraagt.

Tegen het einde van zijn recensie zegt de auteur nog enkele zinnige dingen. Zoals dat het belangrijk is om een discussie vanaf meerdere kanten te benaderen, en dat het tegenover elkaar zetten van verschillende argumenten en daar kritisch op te reflecteren ons dichter bij de waarheid kan brengen. “Van de zo gevreesde ‘managers’, kan veel gezegd worden, maar ze zijn natuurlijk niet gek. Ze hebben ongetwijfeld ook ideeën over de universiteit die zij – volgens de auteurs in deze bundel – vakkundig naar haar ondergang manoeuvreren. Zij worden in deze bundel echter niet aan het woord gelaten. Dat maakt het verhaal zeer eenzijdig, maar ook zwak.” Overigens staat op de lijst met auteurs de naam van Karl Dittrich; niet alleen oud-bestuurder van de Universiteit Maastricht, maar momenteel voorzitter van de VSNU, dus de baas van de bazen, de oppermanager! Zo ongebalanceerd lijkt de bundel dus niet.

Niettemin heeft een verhaal natuurlijk meer kanten. De universiteiten van nu doen het bijvoorbeeld best aardig. Voor wat alle ranglijstjes waard zijn (in mijn ogen is dat niet zo veel), Nederland scoort er best aardig in. Studenten die naar het buitenland gaan, merken vaak dat ze zonder problemen mee kunnen met het niveau, is mijn ervaring. Universiteiten en hogescholen hebben de enorme toename van studenten de afgelopen decennia opgevangen, zonder al te veel kwaliteitsverlies en met achterblijvende bekostiging van de overheid. En de vermaledijde, moderne managementtechnieken dragen soms zelfs bij aan de kwaliteit van het onderwijs.

Wanneer we echter een serieuze discussie willen voeren over wat ‘bedrijfsmatig runnen’ de universiteit heeft gebracht en gekost, is het wezenlijk om óók de argumenten daartegen serieus te nemen. De docent en de student, wier zeggenschap verloren is gegaan. De grotere nadruk op randzaken als marketing, communicatie, werving, PR, vastgoed en al wat dies meer zij, ten koste van het onderwijs. De uitdijende stafafdelingen, terwijl de student-docentratio is verslechterd. De nadelen van concurrentie. De vele perverse effecten van het sturen op kwantitatieve indicatoren. En nog veel, veel meer.

Deze kritiek moet serieus genomen worden. Te meer omdat soortgelijke problemen spelen in een groot deel van de (semi)publieke sector.***

Wat volgens mij niet bijdraagt aan het voeren van een serieuze discussie, is het bij voorbaat wegzetten van andersdenkenden als luie romantici, die vooral terug willen naar de tijd toen ze nog niet zo hard hoefden te werken. Of het karikaturiseren en bagatelliseren van inhoudelijke argumenten. Het onderwerp ‘waartoe is de universiteit op aarde’, en daarmee samenhangend ‘hoe dient hij dan te worden bestuurd’, is daarvoor te belangrijk.

János Betkó (34) was langstudeerder en heeft er acht jaar over gedaan om zijn doctoraaldiploma geschiedenis te halen. Hij is momenteel senior auditor/adviseur en werkt veel als panelsecretaris bij opleidingsvisitaties in het hoger onderwijs. Tussen 2007 en 2009 was hij bestuurslid voor de Landelijke Studenten Vakbond.

Ps: de opmaak van dit stuk is een parodie op het origineel, inclusief onderschrift en het quasi-intellectuele fotootje. Daar gaan we geen gewoonte van maken hier, foto’s van de schrijver bij de artikelen, no worries.

* Zie bijvoorbeeld dit artikel over de perverse effecten van het gebruik van financiële prikkels voor de accreditatiepraktijk.

** Bron: studentenmonitor.

*** Denk bijvoorbeeld aan de politie, maar er is de afgelopen jaren ook genoeg geschreven over de zorg of bij woningbouwcorporaties.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*