Onlangs kondigde staatssecretaris Zijlstra van onderwijs aan wel heil te zien in het koppelen van onderwijsbudgetten en privileges aan gedetailleerde ‘prestatie-indicatoren’. Was het hoger onderwijs voorheen al één indicatorencircus, nu gaan we richting een vorm van gestuurd planonderwijs waar de gemiddelde GOSPLAN ambtenaar nog nachtmerries van zou krijgen. Maar het is niet alleen de immense bureaucratie die steeds meer op de centrale planeconomie van de Sovjets gaat lijken. Net zoals in het stalinistisch systeem kruipen leugens en angst steeds meer door het systeem. Het hoger onderwijs zou wat dat betreft baat hebben bij haar eigen glasnost en perestroika.

Want na een jaar of zes het hele managementtheater van nabij te hebben meegemaakt, kan ik wel zeggen dat het één grote gotspe is. Een verzameling leugens die alleen overeind blijft staan omdat de rapportenschrijvers er wanhopig in blijven geloven. Op de werkvloer weet men immers heel goed dat je kwaliteit niet afmeet aan het aantal uitgedeelde diploma’s. Dat aanwezigheidsplicht voor waardeloze colleges geen gemotiveerde studenten oplevert. En dat het opleggen van publicatiequota niet leidt tot wetenschappenlijk inzicht. Je zou verwachten dat dit na de beruchte Theo-routes en (weet u nog, de weggeefdiploma’s van InHolland?) en de affaire Stapel ook in de hogere regionen wel was doorgedrongen. Maar nee, nog steeds fixeert men zich op de prachtige jaarplannen, strategische visies en sluitende onderwijsagenda’s. Met daaraan gekoppeld de hele bult met Orwelliaanse verslagen die moeten aantonen dat alle doelstellingen meer dan gehaald zijn en dat alle opleidingen als ‘excellent’ en ‘top’ gekwalificeerd kunnen worden. In Nederland zijn immers alle universiteiten nummer 1.

Al die rapporten worden dan ook niet gescrheven om er lering uit te trekken, maar omdat ze nou eenmaal van hogerhand worden geëist.  En daar ligt dus de angst op de loer. De angst dat de realiteit ooit in de rapporten en verslagen zou doorschemeren. Want in werkelijkheid is niet elke opleiding van topkwaliteit, maken besturen angstaanjagende fouten en kunnen studenten eenvoudiger via hypes en misleiding worden aangetrokken dan op inhoud. En om die angst te beteugelen moet elk kritisch geluid verstomd worden, elk opmerking vanaf de werkvloer naar boven onderdrukt. De realiteit van het rapport is het enige dat telt. Wat niet wordt opgeschreven, bestaat dus niet.

De grootste schade van dit systeem zit hem niet eens in de administratieve lasten. Natuurlijk is het eeuwig zonde dat professoren indicatietabellen zitten af te vinken in plaats van onderzoek te doen. Of dat studenten worden gedwongen om naar contacturen te komen die niet zijn ontworpen om iets te onderwijzen, maar om een urenquotum te halen.

Schadelijker dan dat is de geïnstitutionaliseerde waanzin van het systeem. Waarbij iedereen het zorgvuldig gecreëerde web van leugens in stand houd, omdat dat de enige overgebleven manier is om een leefbaar werkklimaat te houden. Een kritische kanttekening zou immers het hele luchtkasteel in elkaar kunnen doen storten. Of nog erger; de instelling op de rankings doen dalen. En zo moet tenslotte een een Theo of Stapel aantonen hoe verrot het systeem eigenlijk is, waarna men duurbetaalde adviesbureaus inhuurt om het management te vertellen wat de werkvloer allang wist: dat het niveau van opleiding X, of de wetenschappelijke opbrengst van onderzoeksgroep Y eigenlijk één groot Fata Morgana was.

Het is de schade van een systeem waarin kritische studenten wordt verteld dat hun mening de ‘ranking’ van de universiteit in gevaar brengt, en dat ze daarom maar beter gewoon hoge cijfers op de Nationale Studentenenquête kunnen uitdelen. De waanzin van het planonderwijs waarin indicatoren worden opgesteld die niets met de werkelijkheid van doen hebben, waarop men geen invloed heeft, en waarvan het causale verband met het beoogde doel onbekend is.

De vraag is hoe ver de cijferwoede moet worden doorgevoerd voordat het systeem zichzelf in bureaucratie verdrinkt. Hoeveel gedemoraliseerde docenten, verspilde uren en vermoorde bomen het nog gaat kosten voor dat we inzien dat die stapels rapporten geen jota met daadwerkelijke onderwijskwaliteit van doen hebben. En we ontdekken dat luisteren naar de gebruikers van onderwijs, naar de studenten, de docenten en wellicht zelfs de kantinejuffrouwen, ons alle informatie verschaft die we nodig hebben. Cultiveer een academische gemeenschap die niet draait op rapportage, controle en dwang, maar een dialoog tussen docenten, bestuurders en studenten. Voor inspiratie hoeven we slechts te kijken naar het wetenschappelijke gebruik van peer review. Daar geen gebruik van nietszeggende nummers, maar van inhoudelijke, gerichte en constructieve kritiek. Hier ook geen slagers die hun eigen vlees keuren. Alle drie de groepen houden elkaar in balans. Studenten vragen om onderwijs van hoge kwaliteit. Professoren weten wat nodig is voor goed onderwijs en onderzoek. En besturen hebben baat bij tevredenheid onder beide andere groepen. Een grover bekostigingsmodel is misschien wat minder nauwkeurig, maar dat wordt meer dan gecompenseerd door de toegenomen bewegingsvrijheid voor alle betrokkenen. Wanneer krijgt het onderwijs in plaats van Brezjnevs zijn Gorbatsjov?

Tagged with:
 

7 Responses to De waanzin van het planonderwijs

  1. Matthijs says:

    Misschien werken de indicatoren niet waar je je tegen afzet en misschien kunnen kwantitatieve indicatoren helemaal niet werken – het zou allemaal best kunnen – maar het werkt ook niet als er helemaal geen controle op zit of als er helemaal geen stuwende werking naar efficiëntie en goede kwaliteit. Volgens mij is dat ook wel gebleken uit de lamballentijd dat Den Haag de universiteiten maar liet aanfröbelen.

    • Frank says:

      Ik denk ook niet dat er geen controle behoeft te zijn. Maar als je kan kiezen tussen een arbitrair budgetsysteem mét verlammende bureaucratie en eentje zonder, waarom zou je dan voor het eerste kiezen? Baseer je verdeelsleutel dan op iets wat relatief makkelijk te meten is, zoals studentenaantallen.

      Zelf denk ik dat je met een ‘trias academia’ veel meer kanten op kan dan met een steeds verdere verstarring in regels en rapporten. Zoals gezegd hebben de drie groepen (die ik hier nogal grof schets, dat geef ik toe), belangen die elkaar in evenwicht kunnen houden. Studenten willen goed onderwijs (en het liefst zonder daar teveel voor te betalen), wetenschappers willen academische vrijheid en weinig administratieve lasten. Besturen willen beide groepen redelijk tevreden houden en de kosten beheersen. Volgens mij moet daar wel iets te onderhandelen zijn.

      Want wat denk ik een verder probleem is aan het indicatorencircus is niet alleen dat ze bepaalde grootheden slecht uitdrukken, maar ook dat er een fixatie onstaat op die cijfertjes. Tot het niveau dat alles wat niet in een indicator is gevangen, ook niet meer als relevant voor het beleid wordt gezien. De (van hogerhand opgelegde) keuze voor bepaalde prestatie-indicatoren is dus in zichzelf al beperkend voor een discussie over onderwijskwaliteit.

  2. jaspervs says:

    Hier ga ik wel in mee. Beter een handvol goede indicatoren dan een brei van cijfers. Als je ministerie prioriteiten heeft dan weet je waarop je moet meten. En hoe wil je sturen of ook maar begrijpelijk transparant zijn als je ieder cijfer belangrijk vind.

  3. Lisa says:

    Mooi pleidooi Frank en ook je oplossing klinkt goed. In theorie tenminste, want in praktijk zitten bestuurders ook op die plekken om te zorgen dat er geld binnenkomt. Een gelijkwaardige dialoog tussen docenten, studenten en bestuurders is moeilijk omdat wel degelijk niet alle belangen met elkaar te rijmen zijn.

    • Frank says:

      Het is denk ik ook niet nodig dat alle belangen met elkaar overlappen, als ze elkaar dan maar in evenwicht kunnen houden. Een bestuur heeft inderdaad het belang om geld te verdienen, maar ook om de reputatie van de universiteit goed te houden, bijvoorbeeld.

      In mijn geïdealiseerde situatie houden deze belangen elkaar dus in evenwicht. Het belang van studenten op goed onderwijs, dat van docenten op tijd/geld voor onderzoek en weinig bureaucratie, en dat van het bestuur om het beschikbare geld zo zinvol mogelijk te verdelen.

      Om dit te bereiken zijn, denk ik een aantal zaken nodig.
      Allereerst een versimpeling van het kostenmodel van het ministerie, zodat die behoefte aan eindeloze becijfering wegvalt.
      Ten tweede een evenwichtiger relatie tussen docenten, studenten en bestuur. Nu is het nog te vaak zo dat een bestuur de andere twee partijen kan domineren of tegen elkaar weet uit te spelen.
      Als derde een kritischer academische gemeenschap. Mijn ervaring is dat er veel kritiek, weerstand en protest is, maar dat dit niet naar buiten komt. Docenten slikken het vaak in uit een soort fatalisme, studenten weten niet welke rechten ze hebben en zijn versplinterd. Je ziet dat er af en toe wel onvrede is, over het censureren of afschaffen van universiteitsbladen of de Theo-route, maar dat dit beperkt blijft tot incidenten. Ik heb me wel eens afgevraagd of je geen (digitale) Nationaal Academische Courant zou moeten hebben die consequent de vinger aan de pols houdt binnen de academische gemeenschap, zoals de pers dat doet binnen de politiek. Maar het probleem met zo’n instantie is dat het voornamelijk een nutsfunctie vervult, en dat is nooit bijzonder populair.

  4. […] Waarom een maatregel invoeren die dommere afgestudeerden oplevert? Het antwoord zit hem in de indicatorendictatuur: Als studierendementen geen maatstaf zijn voor onderwijskwaliteit, maar een doel op zich, loont het […]

  5. […] Waarom een maatregel invoeren die dommere afgestudeerden oplevert? Het antwoord zit hem in de indicatorendictatuur: Als studierendementen geen maatstaf zijn voor onderwijskwaliteit, maar een doel op zich, loont het […]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*