Ik kreeg het beeld niet uit mijn hoofd. Het perron, de spoorlijnen en daarop, daartussen onogelijke tentjes. ‘Idomeni’ stond op een vervallen gebouw. Het bleek het stationsgebouw te zijn. Idomeni, eindstation voor de vluchtelingen toen de grens tussen Macedonië en Griekenland werd gesloten. Er was medelijden maar ook boosheid om het falende beleid, om de inhumane leefomstandigheden. Helpen wilde ik, de nood verzachten. En “Ja,” zeggen de achterblijvers in koor, “goed werk, joh, fijn dat jij dat doet.”

Ik zit nu in Polykastro, 12 kilometer van de grens met Macedonië. Vlakbij Idomeni, waar de vluchtelingen gestrand zijn nadat de grens naar Europa dicht is gegaan. Het Park Hotel is een van de zenuwcentra van onafhankelijke hulpverlening. Een Engelse kookgroep heeft hier haar hoofdkwartier en kookt elke dag voor 3000 mensen. In de entreehal hangen oproepen van allerlei onafhankelijke groeperingen die hun eigen hulpverlening hebben opgezet om directe hulp te kunnen verlenen zonder dat er iets verloren gaat in bureaucratie. Hier dus geen Rode Kruis en UNHCR maar groepen als Northern Lights, de Engelse kookgroep, een clownsgroep die uit Engeland is overgewaaid en een Tsjechisch team dat het Warehouse runt. Lang haar, dreadlocks, piercings en woeste baarden doen tijden van weleer herleven; de jaren 70 met anarchisten die wars waren van afspraken. Ook hier weinig regels, iedereen mag zichzelf zijn, terwijl de dingen die gedaan moeten worden als vanzelf georganiseerd worden: “Oh, je bent vrijwilliger, wil je dan even deze snijden?” En met wijst dan op een enorme berg uien waar je spontaan tranen van in de ogen krijgt. Vrijwilligers komen en gaan, maar op het eind is er toch weer een maaltijd voor 3000 mensen.

Zo kwam ik de eerste dag bij de voedseldistributie in Idomeni terecht. Het uitgiftepunt was een container met daarvoor dranghekken (mannen en vrouwen gescheiden). Dit om de verdeling enigszins in goede banen te leiden. Er werd brood uitgedeeld. Zwangere vrouwen hadden recht op twee broden, mits ze een bewijs konden overleggen. Een hectisch anderhalf uur volgde. Kinderen wilden voorkruipen, mensen ging twee keer in de rij staan. Graaiende handen, vrouwen en mannen die ons probeerden te overtuigen dat ze recht hadden op meer. Toch geen echte incidenten; zelfs toen het brood op was werd dat lijdzaam geaccepteerd door de laatkomers.

Eén uur heen, één uur terug, anderhalf uur uitdelen en daarna schoonmaken. Vier uur in totaal, maar ik ben doodop. Ik zie opnieuw de eindeloze rijen tweepersoonstentjes voor me, waarin de volwassenen voor zich uit zitten te staren. Ik zie de uitgebluste ogen, maar er is ook dankbaarheid, en vriendelijkheid: “Salaam” terwijl ze hun hand naar de borst brengen als groet. En natuurlijk de niet te bevatten onbevangenheid van de kinderen. Schaterlachend, omdat ik ze probeer te vangen. Fanatiek voetbal spelend, blij met welke aandacht dan ook. Wat bewonder ik hun dapperheid!

De dag erna ben ik in het Warehouse; om dozen met ingezamelde kleren uit te sorteren. Alles wordt in categoriën geordend: t-shirts lange mouw, t-shirts korte mouw, rompertjes voor de allerkleinsten, stoere t-shirts voor de 7 tot 12-jarigen, roze jurken met stripfiguren voor de meisjes. Zeven nationaliteiten werken naadloos samen in een mengelmoes van Frans, Duits, maar vooral Engels. Terwijl we uitzoeken komen de vrijwilligers van de verschillende kampen met boodschappenlijstjes kleding ophalen. Dus niet alleen voor Idomeni, het grootse kamp met 9000 mensen, maar ook voor andere ‘spontane’ kampen, zoals ze eufemistisch betiteld worden. Ze hebben de namen van tankstations en hotels waar de vluchtelingen noodgedwongen neergestreken zijn na hun lange vlucht: Eko, BP, Hara.

Op de terugweg hoor ik voor het eerst het onderscheid tussen militaire en ‘spontane’ kampen. Om greep te krijgen op het probleem probeert men de spontane kampen te ontmoedigen. Er komen beter georganiseerde kampen voor in de plaats: UNHCR-tenten met houten vloer, betere sanitaire voorzieningen en gegarandeerde voedselvoorziening. De dag daarna ga ik naar Kavala, waar zo’n militair kamp (of is ‘overheidskamp’ beter?) wordt aangelegd. Onder leiding van Intervolve, een Engelse hulpgroep met eigen sponsors, leggen we vloeren en zagen we deuren voor de douches. Is dit beter? Het kamp oogt ordelijker: rechte rijen, UNHCR-tenten, een aparte rij wc’s en douches; voor vrouwen en mannen gescheiden. Niet de zelfgemaakte stoofjes van oude olijfolieblikken, waarop men eten bereidt of thee zet. Niet de stank van overlopende toiletten. Niet de drukte van door elkaar krioelende mensen. Ik mis hier iets. Hier geen Stichting Bootvluchteling die kindervoeding uitdeelt, geen clowns, en ook geen privé-initiatieven met lampen op zonne-energie. Al die voor de overheid onduidelijke organisaties met hun anarchistisch ogende structuur worden door de militairen van het kamp geweerd (ook mijn paspoort werd nauwgezet gecontroleerd). Met de komst van deze kampen wordt dus ook de hulpverlening gestroomlijnd: Artsen Zonder Grenzen, Rode Kruis, UNHCR, grote budgetten maar met een logge bureaucratische structuur, zullen het heft in handen nemen. Dat is zonder meer goed, maar zal er dan nog plaats zijn voor mijn vrienden van het Park Hotel in Polykastro? Zij waren de voorhoede in Calais, en toen het hier nodig was, verkasten ze als vanzelfsprekend. Terug naar Kavala. Houten vloeren, douchedeuren, maar vooral de kinderen. We lieten ze de multiplex platen in de grondverf zetten, meehelpen dragen, gereedschap aanreiken. Opnieuw die blijheid, onbevangenheid, de schaterlach. Op het laatst ga ik een schijngevecht aan met een jongetje. De groep groeit aan tot vijftien kinderen. Ik word overmeesterd. Het is het moment dat we weer huiswaarts moeten. Ze willen mij niet laten gaan en ik wil niet weg..

Alle dagen zijn hier anders geweest, maar ook dat verandert langzaam. Ook in de anarchie begin ik de organisatie te zien. Ook al is er geen structuur, er zijn hier ook leiders: ook hier zijn er ego’s, ook hier zijn er mensen met een natuurlijk overwicht. Ik weet nu mijn weg te vinden: als er geen hulp nodig is bij het koken, ga ik naar het Warehouse, of breng ik iets of iemand weg: zoveel te doen…

Er blijft iets wringen. De militaire kampen: zijn ze wel een vooruitgang? Betere omstandigheden, gegarandeerde voedselvoorziening, natuurlijk! Maar er is in Europees verband toegezegd dat er werk gemaakt zou worden van een betere regeling om asiel te kunnen aanvragen. De kampen geven meer overzicht, maar is er wel een vervolg? Waar kan men zich registreren? En waar kan men de broodnodige informatie vinden zonder internet? Het zijn politieke vragen, grote vragen. Daarvoor is er nu even geen plaats, ik wil helpen.

“Goed werk, joh, fijn dat jij dat doet.” Iedereen doet wat hij kan, maar als je hier bent, verschuiven de grenzen. Ik ben allang niet meer zo trots als ik was om hier te gaan helpen. Er is nog wat geld op mijn bank, waarom geef ik dat niet weg? Waarom blijf ik niet langer? Dat zal blijven knagen, omdat ik de gezichten gezien heb: uitgeblust, wanhopig, maar ook van woede vertrokken. Toch zullen het vooral de kinderen zijn die me bijblijven. Die onbegrijpelijke onbevangenheid die niet omkijkt naar wat verloren ging, maar de blijheid die laat zien wat ze krijgen.

 

Afbeelding door Ken Mayer (originally posted to Flickr as Passport10) [CC BY 2.0], via Wikimedia Commons

3 Responses to Van informele vluchtelingenkampen naar de overheid

  1. Masja says:

    Altijd weer toch vertrouwen, maar het blijft goed wat je doet….

  2. Neeltje says:

    Het zat al in mijn hoofd maar nu nog pregnanter.
    Waarom kan het niet allebei.
    Bedankt. Neeltje

  3. Bijzonder goed geschreven – boeiend zelfs. Goed om nu eens berichten van achter de schermen te lezen. Hoe nu verder met al die vluchtelingen en zal het je nog loslaten? Goed werk!!!!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*