Bij de invoering van de tweefasenstructuur in 1982 is afgesproken dat de propedeutische fase een oriënterende, selecterende en verwijzende functie heeft. Het eerste studiejaar is bedoeld om studenten een goed beeld van de studie te geven en geeft een indicatie of de student de eindstreep haalt. Mocht de studie tegenvallen, of het niveau te hoog zijn, dan kan de student besluiten iets anders te gaan doen. Iemand die kan stemmen en mag autorijden is immers ook wel in staat om belangrijke keuzes voor zijn eigen toekomst te maken.

Helaas laat de realiteit een ander beeld zien. Diverse onderzoeken laten zien dat de uitval in en aan het einde van het eerste jaar zeker substantieel is, maar daarna zeker niet stopt. Ook na het eerste jaar besluiten veel studenten dat het toch tijd is wat anders te gaan doen. Veelgehoorde redenen zijn ‘persoonlijke omstandigheden’, ‘studie voldeed niet aan verwachtingen’ en ‘onvrede met de manier van onderwijs krijgen’. Uit een onderzoek van het ministerie OCW blijkt dat 15% van de uitvallers op de hogescholen en 9% van de voortijdige universiteitsverlaters die dit als optie aankruisten veelal vonden dat de verwachtingen onduidelijk waren (64%), zich aan hun lot overgelaten voelden (60%) en de kwaliteit van de studie als slecht beoordelen (56%).

Gelukkig vinden universiteiten ook dat het beter kan. In 2007 organiseerde koepelorganisatie VSNU dan ook de conferentie ‘studiesucces in de bachelor’. Bestuurders, leraren en studenten gingen met elkaar in gesprek over mogelijkheden het studiesucces te verbeteren en de uitval te verminderen. Positief natuurlijk, ware het niet dat de VSNU, samen met de HBO-raad, op het ministerie van het onderwijs aan het lobbyen was voor de ‘gerede kans- bepaling’: als een student na een jaar of vier a vijf zo weinig punten heeft dat hij ‘een gerede kans’ heeft geen diploma te halen, zou de instelling hem weg moeten kunnen sturen. Ook werd gepleit voor een bindend studieadvies na drie maanden. Immers, onderwijsinstellingen konden dan al bepalen welke studenten zeker ongeschikt waren om door te mogen studeren.

Helaas voor de instellingsbazen zijn beide maatregelen nooit doorgevoerd, mede dankzij een onderwijsminister die soms het advies van studentenorganisaties wel van waarde vond. Een minister die aan het begin van zijn ambtstermijn kritisch was op onderwijsbestuurders en nog geen dikke vriendjes was van alle collegevoorzitters. Maar helaas ook de minister die, ondanks waarschuwingen van studenten, in 2009 een zogeheten ‘experimenteerbepaling’ in de wet heeft opgenomen. Artikel 1.7 stelt dat er geëxperimenteerd mag worden in het kader van kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. De wensenlijstjes van bestuurders staan niet in de criteria opgenomen.

Het is jammer dat bestuurders niet eerst beter naar hun eigen beleid kijken. Immers, studievoorlichting- en begeleiding scoren in verschillende studentenevaluaties al jaren slecht. In plaats van hieruit lering te trekken en dit eens grondig aan te pakken, wordt alweer met de vinger naar studenten gewezen. Zelf tonnen per jaar belastinggeld verdienen en de student opzadelen met tienduizenden euro’s schuld én een onafgemaakte studie, is kennelijk heel normaal beleid.

Daarnaast heeft het iets tragisch dat de jarenlange lobby van koepelorganisaties nu eindelijk zijn vruchten lijkt af te werpen. Maar misschien niet zo verwonderlijk. Deze minister komt zelf immers uit het wereldje, heeft meegedaan met de wedloop om het meeste salaris binnen te harken en wil, nadat haar termijn als minister is afgelopen graag nog ergens een baantje als toezichthouder.

De gang van zaken heeft iets tragisch. Juist op de plaatsen waar mensen worden opgeleid tot kritisch onderzoeker, waar wetenschappers in spe geacht worden zich ten volste te kunnen ontwikkelen, blijkt weinig zelfreflectie te zijn. In plaats van de hand in eigen boezem te steken, voorlichting en begeleiding eindelijk in orde te maken, manifesteren de instellingsbestuurders zich als zeurende kleuters. Wachtend op een mogelijkheid om hun zin door te drammen, ten koste van goed onderwijs.

Lisa Westerveld wil niet alle onderwijsbestuurders over een kam scheren. En hoopt dat de bestuurders die wel het beste voor hebben met hun studenten en het onderwijs, harder gaan schreeuwen dan de rest.

Tagged with:
 

3 Responses to Bussemakers BSA-maskerade

  1. Pepijn Eymaal says:

    Artikel 2.11 WHW is vervallen; het expirimenteerartikel is 1.7a WHW. Zal misschien een vergissing zijn 😉

  2. Lisa Westerveld says:

    Foutje, zat verkeerd in mijn hoofd en pas ik aan!

  3. Jasper van s says:

    Na 3 maanden beoordelen of iemand een studie mag doorzetten. Hoe zenuwachtig wil je de net afgestudeerde VWO´ er hebben ??
    Die vervolgens als hij veel geluk heeft met de winterstop iets nieuws kan kiezen. Vaak echter wordt dat 9 maanden vakken vullen. Terwijl de student nog niet eens de kans heeft gekregen om een werkstuk te maken.
    In mijn eerste jaar waren trouwens de eerse paar maanden gezamenlijk met de rest van de faculteit. Dat was goed voor de feeling met de maatschappij en je kon makkelijker overstappen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*