Natuurmonumenten zoekt sinds een paar weken de aandacht met een grote enquête onder natuurliefhebbers. De succesvolle organisatie wil weten hoe wij hun gebieden gebruiken en wat er volgens ons anders moet.  Met de uitkomsten wil Natuurmonumenten ‘de inrichting en het beheer van deze gebieden verder verbeteren’.  Misschien is het voorbarig, maar die ambitie is voor mij aanleiding voor paniek.

Uiteraard snap ik dat Natuurmonumenten zoekende is. Ofschoon het ledenbestand een kleine opleving kent, boette de organisatie sinds het begin van deze eeuw in aan populariteit. Rond 2000 piekte de private natuurbeschermersclub met een ledenbestand van pakweg  een miljoen mensen, maar daarvan raakten ze er het afgelopen decennium 250 duizend kwijt.

Zo verging het trouwens de meeste ‘groene’ goede doelen. Vooral aan de rechterzijde lijkt de populariteit van de natuur de laatste jaren afgenomen.  En in die kring had Natuurmonumenten veel vrinden. Als ik even mag generaliseren: waar de klassieke conservatief-liberaal waarde hechtte aan kwetsbare en dus kostbare natuur in zijn omgeving vindt de proleterige nouveau riche natuurbescherming ‘padvinderij voor volwassenen’ (ooit toegeschreven aan Harry Mens, bij uitstek exponent van groep twee). Eigenlijk willen die dat de boomknuffelaars ophouden met zeuren:  het bedrijventerrein dat ze willen aanleggen in dat polderlandschap is ook mooi.  En als ze door het groen willen lopen is een golfbaan ook natuur.

Vertegenwoordigers van die laatste,  onverschilligere club voeren binnen de VVD  al een aantal jaren de boventoon op dit dossier. Iemand als Ton Elias heeft recent nog in de Kamer geprobeerd natuurcompensatie te schrappen als voorwaarde voor megalomane asfaltprojecten.  Samen met onder meer het CDA heeft diezelfde VVD er voor gezorgd dat projectontwikkelaars sneller aan de slag kunnen in het groen. Door de omgevingsprocedure in te perken, kan men nu niet gehinderd door enige kennis van het veenweidegebied in het Groene Hart snelwegen aan het aanleggen of tunnels laten uitmonden in een waadvogelwalhalla te Zeeland. Om maar wat te noemen.

Natuurlijk zullen er nog altijd welgestelden zijn die Natuurmonumenten helpen bij de aankoop van grond,  ook onder de lieden die een voorkeur hebben voor een rechtse politieke lijn. Maar hun geluid lijkt in die kringen wat verstomd. In ieder geval vinden we namens de VVD in de Tweede Kamer volksvertegenwoordigers die roepen dat de eerste de beste wolf die voet zet in ons land dient te worden afgeknald en bralt het commissielid Natuurbeheer namens die partij iets ronduit onzinnigs over de strijd tegen de zeemeeuw*. Als ik een Gooise conservatief was die zich zorgen maakte over de diversiteit van het loof rond de ’s Gravelandse Buitenplaatsen zou ik waarschijnlijk ook niet weten waar ik moest beginnen.

Dat een afname van politiek draagvlak in combinatie met een teruglopend aantal donateurs leidt tot een poging van de club om de banden met het overgebleven – nog altijd aanzienlijke – ledenbestand wat meer aan te halen, is in het licht van het voorgaande verdedigbaar. Maar toch: als ik de vragen van Natuurmonumenten eens op mijn laat inwerken – over de mogelijkheid extra paden aan te leggen voor ruiters en mountainbikers, over de vraag of honden los moeten lopen – word ik niet erg enthousiast.

Mensen moeten hun vertier kunnen zoeken in het groen, dat is zeker. Maar het is de vraag of de gebieden van Natuurmonumenten  zo geschikt zijn voor die functie.  Steden hebben al parken. En op landelijk niveau hebben we de gebieden van Staatsbosbeheer die meer aan de grillen van de politiek ten prooi vallen. Ik zal me nooit neerleggen bij onnodige fietspaden of uitkijkpunten die een roofvogelnest verstoren, maar ik ben ontvankelijk voor het argument dat een staatsinstelling tot op zekere hoogte meebuigt met de nukken van de Nederlander.  Met uitzondering van de Nationale Parken uiteraard.

Natuurmonumenten heeft een flink aantal zeer kwetsbare gebieden in beheer. Het succes dat de club boekte is nauwelijks in waarde uit te drukken. Ik vraag me af of we de wederopstanding van de lepelaar hadden meegemaakt zonder de inspanningen van de natuurliefhebbers die nu ruim een eeuw geleden land gingen kopen om de natuur te beschermen.

Met het Naardermeer begon het ooit: de gemeente Amsterdam had bedacht dat het waardeloze moerasgebied een ideale locatie zou zijn voor vuilstort. De onder natuurliefhebbers legendarische Jac. P. Thijsse – inderdaad, die van de Verkade-plakboeken die je vroeger wel eens bij je oma voor neus gelegd kreeg – kende als een van de weinigen de natuurwaarde van het gebied en startte een lobby. Uiteindelijk  kocht hij met de hulp van vrienden de hectares waarop Amsterdam wilde dumpen voor de neuzen van de bestuurders weg. Vele gebieden volgden. Intussen telt het bestand 355 natuurgebieden of landgoederen. Die vaak beter bewaard zijn gebleven dan de stukken waarover Staatsbosbeheer gaat: de vereniging is immers minder wispelturig dan de vaderlandse politiek.

Met een beetje fantasie zou je de actie van Thijsse antidemocratisch kunnen noemen. Als hij het had overgelaten aan de nukken van het Amsterdamse stadsbestuur was het landschap voorgoed verdwenen. De vereniging Natuurmonumenten (i.o.) ging er dwars tegen in. Omdat Thijsse beter wist dan de andere Amsterdammers wat er kapot zou worden gemaakt als Amsterdam zijn zin kreeg.

En daar wringt wat mij betreft de schoen als ik naar Natuurmonumenten anno 2014 kijk: hartstikke leuk om leden en andere belangstellenden een enquête te laten invullen waarin keuzes worden voorgelegd die neerkomen op ‘herdershond lekker in de rietkraag laten kleien of krabbenscheer beschermen?’ En dan is de keuze van de meerderheid doorslaggevend voor de inrichting van het gebied?  Het klinkt misschien denigrerend, maar geloof me: zelfs als het merendeel van de donateurs van krabbenscheer heeft gehoord dan hebben ze geen idee hoe kwetsbaar deze planten eigenlijk zijn.

Om die reden durf ik de stelling aan dat natuur zich niet leent voor de democratische aanpak.  Zoals dat ook geldt voor de wetenschap of de kunst, of de uitvoering van ons strafrecht. Leugens? We hadden Vincent van Gogh niet tot ons culturele erfgoed kunnen rekenen als hij zich had laten ringeloren door de algemene opinie en  een zendermanager van de publieke omroep was op zijn minst een paar jaar de bak in gegaan omdat hij een paar jaar geleden het spelletje Lingo van de buis wilde halen als dat via een stemknop op een website geregeld had kunnen worden.

Meer recreatie in het groen? Ben ik voor. Zorg maar dat er meer parken zijn in stad en dorp. Leg nieuwe natuur aan om onze Nationale Parken te verbinden met elkaar en met de natuurmonumenten. Maak een smalle strook die exclusief voor plant en dier wordt gereserveerd en leg er bufferzones omheen aan waar mensen hun hond wel kunnen uitlaten,  een eind kunnen paardrijden of eens lekker kunnen vliegeren. Kijk of je met eko-boeren mooi cultuurlandschap kunt bouwen waar akker- en weidevogels zich thuis voelen en gooi die open voor het publiek zodat ze de meerwaarde van eerlijke voeding zien.  Als de mensen die ruimte krijgen, zullen ze sneller geneigd zijn te begrijpen dat mountainbiken leuk is, maar niet dwars door de Planken Wambuis omdat je daar de boommartertjes en  de broedende nachtzwaluwen verstoort. Als mensen een goed groen alternatief als recreatieplek voorgeschoteld krijgen, verschaft het Natuurmonumenten zelfs sneller de optie de kwestbaarste gebieden af te sluiten. Permanent, of als dat kan alleen in de broedperiode.

De boodschap van Natuurmonumenten moet dus niet zijn ‘help ons onze natuurgebieden in te richten’, maar help ons de natuur te beschermen door er met ons ruimte voor het groen bij te kopen waar u wel uw vlieger kunt oplaten (voor zover dat niet is afgedekt door Staatsbosbeheer).

Zeker: de ruimte in Nederland is schaars. Maar kom bij mij niet aan met de stelling dat dit onmogelijk is. Zolang ieder boerengat in Nederland zijn dorpsgrenzen oprekt door weiland in te ruilen voor geestdodende bedrijventerreinen waar geen ondernemer wil zitten, breng ik er tegenin dat die ruimte meer baat heeft bij een mooi landschap. Het is beter voor de volksgezondheid en het collectieve humeur bovendien. En tegen de lokale Harry Mens zeggen we gewoon: bedrijvenpark aanleggen? Spelen met Duplo-blokken voor volwassenen!

* Over die zeemeeuwen van de VVD volgt later meer…

Thijs hoopt stiekem dat de grote Natuurmonumenten-enquête is gemaakt om de communicatieafdeling een beeld te geven van wat er nodig is om ook de Ton Eliassen van deze wereld er van te overtuigen dat een weiland vol grutto’s niet bij uitstek geschikt is voor een potje boerengolf. In dat geval neemt hij zijn tirade terug, stapt hij over het ganzenakkoord heen, wordt hij weer lid en stuurt hij de bedenker van deze strategie een bloemetje en een fles wijn.

 

Gebruikte afbeeldingen:

3 Responses to Natuur leent zich niet voor democratie

  1. zmooooc says:

    Natuur is al democratie. Soort-van dan, want het is ook een beetje een aristocratie; in Nederland is een buitengewoon groot deel van de natuur in particuliere handen. Veelal handen van stichtingen die afhankelijk zijn van donateurs. Een soort parlementaire democratie dus eigenlijk.

    En in die parlementaire democratie kies ik er expliciet voor om niet op natuurmonumenten te stemmen. Ik haat hun beleid om met veel bulldozers, boetes en kettingzagen een kunstmatige biodiversiteit na te streven die van nature geen lang leven beschoren zou zijn in ons land. Qua waterstand zorgvuldig beheerde moerassen en vennen, door vee in stand gehouden heiden en vogels die alleen maar op door mensen in stand gehouden weides nestelen. Wellicht dat het tijd wordt dat iemand anders het stokje overneemt en dan meteen ophoudt met de biotoop van vuurvliegjes plat te walsen ten faveure van wat hagedisjes, om maar wat te noemen. Ik heb liever natuur dan natuurmonumenten, ook als dat betekent dat allerlei cultuurlandschap dat we als “natuur” zijn gaan beschouwen (zoals grote heidevelden en wilde weides met semi-gevangen kuddes grote grazers) verdwijnt.

    Dus volgens mij is natuur in Nederland onherroepelijk wel degelijk een democratie. Alleen stellen de echt interessante kandidaten (bijvoorbeeld ARK) zich niet verkiesbaar.

  2. Ik denk dat een deel van de onverschilligheid van mensen t.o.v. ecologische rijkdom te maken heeft met onbekendheid en gebrek aan geprikkelde interesse. Onder de huidige generaties zijn er nog maar weinigen die veel in aanraking komen met echte natuur (en om dan maar even normatief te zijn: dat zijn dus geen grindpaden door parken of akkers met monoculturen, zonder daar overigens een oordeel over uit te willen spreken).

    Volgens mij is er een hele grote intrinsieke waarde in het aanwakkeren van natuur-recreatie, en kan dit het beste “getrapt” gebeuren: eerst eenvoudig dichtbij huis. Het natuurwater waar je in kunt zwemmen en waar zo nu en dan een semi-wild paard op je handdoek komt poepen. Dat combineert nut met vermaak. Op scholen kan er meer aandacht komen voor natuur, veel kinderen zijn dol op buiten-practica, of dat nou een school-moestuin is, of een speurtocht naar paddestoelen of plantsensoorten in het bos.

    De grote winsten kunnen behaald worden als de massa overtuigd raakt van de intrinsieke schoonheid en therapeutische werking van natuur. Niet voor iedereen is dezelfde natuur het meest geschikt, maar liefhebberij van het één zal veelal voor meer draagvlak voor het ander zorgen. Aan de ene zijde vinden we de stadsparken waar naast de ijscoboer een prullenbak staat, helemaal aan het andere uiterste het natuurgebied waar we alleen vanuit bepaalde hutten op afstand over het beschermde gebied uit kunnen kijken.

    Om de brede infrastructuur te creëren is enig paternalisme gerechtvaardigd. De waarde van natuur wordt bovendien niet alleen bepaald door diens nut/relevantie voor de mens. Maar het helpt wel als de mens meer gebiologeerd raakt door de intrinsieke waarde en schoonheid van een divers ecosysteem.

  3. Ilse says:

    Mijn eigen ervaring is dat respect voor de natuur zich het best aandient in de natuur zelf. Door op blote voeten in de modder van de Texelse sluftervallei te zakken, bijvoorbeeld. Of dichter bij huis, door de polder vlakbij het ooij struinen. Door te duiken of te snorkelen en te zien dat ook Nederland nog best wat moois te bieden heeft onder water. Dus ja, struingebieden aan de rand van beschermde (broed)gebieden, zoals de sluftervallei (volgens mij beheerd door staatsbosbeheer)zijn wat mij betreft mooie manieren om mensen de natuur echt te laten voelen. Nu heeft de sluftervallei als ‘voordeel’dat het de helft van de dag onder water staat en dus een ‘reset’ krijgt, maar goed management moet zo’n struingebied toch natuurlijk kunnen houden. Ik ben voor.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*