Drie gedenkwaardige verjaardagen in de muziekgeschiedenis de afgelopen tijd. Althans: als we de muziekpers mogen geloven. Want dat Nirvana’s Nevermind 25 werd en Tattoo You van de Stones 35: het is een feestje waard. Maar het is een raadsel waarom de veertigste verjaardag van U2 zo uitbundig werd gevierd.

Vooropgesteld: U2 heeft best een paar aardige momenten gekend. Over vroege hitjes als Sunday Bloody Sunday en I Will Follow kun je best iets vriendelijks zeggen. En er zijn beslist ergere platen gemaakt dan The Joshua Tree of Achtung Baby. Maar het blijft raadselachtig waarom een bandje als The Simple Minds wel op waarde wordt geschat – leuke 80’s sound, gaaf hitje – en U2 wordt gerekend tot de grootste bands uit de geschiedenis van de popmuziek.

Natuurlijk kun je fans met een voorliefde voor middle of the roadmuziek niets kwalijk nemen. En die ene verloren ziel die in een krant over de zegetochten van Bono & Co. schrijft: laat hem. Maar ergens in de afgelopen decennia is U2 zelf ook gaan denken dat ze van een ander niveau zijn dan Duran Duran  of Een Toontje Lager. Waar een concert op het dak van een flatgebouw in de jaren 80 nog kon worden gezien als een buiging voor de stad en een verwijzing naar de grootste popband aller tijden, werd gaandeweg ook bij de leden van U2 zelf het idee geboren dat ze zich konden meten met de Rolling Stones, Bruce Springsteen of David Bowie. Bono’s speeches over de wereldvrede werden langer, de platen werden pretentieuzer, de concertkaartjes duurder.

Dat die pretentie misplaatst is, is in de voorbije jaren meerdere keren op genante wijze duidelijk geworden. Wie het gelegenheidsconcert van U2 bij de introductie tot de Rock ‘n Roll hall of fame heeft gezien, weet meteen wat ik bedoel: de band nodigde Mick Jagger,  Bruce Springsteen en Patti Smith uit om met hen op te treden en de leden van U2 veranderden stuk voor stuk in figuranten.

Deze artiesten hebben gemeen dat ze uit een zeldzamer hout zijn gesneden dan Bono. Jagger die – ofschoon bejaard  – heupwiegend, androgyn en bronstig over het podium dartelt en een zaal binnen luttele seconden in extase krijgt, maar zich moet inhouden omdat de band hem niet kan bijhouden. En  Springsteen en Smith die als verweerde goden van de rockmuziek iedereen wegblazen: U2 was weer het vrolijk harkende schoolbandje van midden jaren zeventig, maar dan met grootmeesters op bezoek die ze alle hoeken van de zaal lieten zien. Ik kreeg bijna meelij.

Ondanks dit soort weinig verhullende sessies blijft de strekking van de muziekpers en de fans hetzelfde: U2 is een legendarische band.

Tsja.

Als ik U2 hoor, dan denk ik niet eens aan andere drakerige bands als The Eagles. Ik ruik vooral kamillethee: zo’n drankje waarvan je weet dat het bestaat. Ik heb weinig met het product, maar er is ook niet veel tegen. En ongetwijfeld zijn er lieden die al veertig jaar niet anders drinken. Mag ook nog: kamillethee drinken maakt van niemand een slecht mens. Alleen: het wordt een tikkie surrealistisch als die mensen gaan roepen dat kamillethee het meest spectaculaire drankje ooit is. Want ook de liefhebber moet onderkennen dat de voorliefde voor dat elixer is ontstaan door een zwakke maag of een niet goed tot ontwikkeling gebrachte smaak. Verkopers van kamillethee moeten dat trouwens weten: ik heb nog nooit een reclame gezien waarin werd geroepen dat kamillethee misschien wel het meest legendarische drankje aller tijden is.

Want: tsja.

Vergeleken met de slappe thee die Bono al vier decennia schenkt is Nirvana’s Nevermind een 25 jaar geleden gebrouwen ristretto: een teugje dikkige koffie met een overschot aan karakter. Bij sommigen zorgde het album allicht voor brandend maagzuur of keelpijn, maar dat de compositie een verfrissende bite heeft kan door niemand worden ontkend.

Waar rock ‘n roll langzaam maar zeker in slaap sukkelde op de riffjes van The Edge, trapte Nirvana iedereen met een ferme trap in het kruis weer wakker. En wat was het fijn om in de eerste helft van de jaren negentig een postpuber te zijn: voor het eerst in jaren was er weer fijne teringherrie op de mainstream radio. Sonic Youth, Bettie Serveert, Pearl Jam volgden in de slipstream van Nirvana. Heerlijk.

Een dergelijke rock revolte had al een tijdje niet plaatsgevonden. Medio jaren zeventig blies de punk de gevestigde orde opzij: bandjes als The Clash, The Damned en The Sex Pistols daagden salonfähig geworden artiesten als The Rolling Stones uit hun blazoen op te poetsen. De Stones antwoordden met een drieluik: via Some Girls (1978), Emotional Rescue (1980) en Tattoo You (1981) ging de band de strijd aan met de jonge honden van dat moment.

Some Girls geldt daarbij als de absolute uitschieter, waarbij de band het voor elkaar kreeg een soort mix van punk, disco en Stonesrock op vinyl te zetten. Emotional Rescue werd goeddeels gebaseerd op de leftovers van die sessies en ja: tegen de tijd dat het vorige week 35 jaar geworden Tattoo You werd opgenomen was een greep in de archiefkast de optie. Op sommige nummers is zelfs de in 1974 vertrokken gitarist Mick Taylor te horen.

Het mocht de pret niet drukken: Tattoo You is het laatste echt goede album van de Stones. Tussen de bekende riff van Start Me Up – ergens in de jaren zeventig al eens ingespeeld als reggae-nummer – en de geniale saxofoon waarmee jazz-genie Sonny Rollins ‘Waiting On A Friend’ opluisterde vind je geen zwakke nummers. Dat is daarna nooit meer gelukt: met uitzondering van het deze eeuw verschenen wegwerpdraakje A Bigger Bang heeft elke Stonesplaat na 1981 nog wel mooie momenten, maar wereldschokkend wordt het zelden.

Toch zijn de Stones onomstreden als koningen van de rockmuziek. Wie de riffs van Satisfaction (1965) of Jumpin Jack Flash (1968) hoort, hoeft niet eens naar een concert van de oude mannen om te weten waarom. En wat te denken van ‘The Big Four’? Met Beggars Banquet (1968), Let It Bleed (1969), Sticky Fingers (1971) en Exile On Main St. (1972) maakten de Stones de soundtrack van een tijdperk waarin de zomer van de liefde veranderde in de grimmiger sferen van jaren zeventig. Geen mainstream rock band kwam er ooit overheen.

Nooit? Heel even leek het er op. In 1976 werd een bandje opgericht door vier Britse jongens die hun eigen geluid vonden. Het resulteerde in een paar ijzersterke punkalbums, een dubbelalbum, een triple album en een paar hits achteraf. Die band heette niet U2. Die band heette The Clash. Het titelloze debuut en opvolger Give ‘em Enough Rope kunnen met alle liefde van de wereld niet worden beschouwd als mainstream rock: het is (allejezus goede) punk.

Maar op de grens van 1979 en 1980 verscheen de legendarische dubbelaar London Calling: hier was een band die bijna op het niveau van de Stones van 1972 opereerde en een soort vervolg schreef op Exile. Weliswaar met een eigentijds geluid en een ander karakter gingen Joe Strummer, Mick Jones, Paul Simonon en Topper Headon de gevestigde orde te lijf.

Als alles had meegezeten, was niet U2 maar The Clash dit jaar in blakende gezondheid veertig geworden. Het mocht niet zo zijn. Blijkbaar is alleen Keith Richards in staat om met dat dieet 73 te worden en nog op het podium te staan. Kamillethee is een stuk gezonder, maar mijn god wat saai. De Death Or Glory mentaliteit van The Clash heeft de band geen lang leven geschonken, maar ze hebben in die pakweg negen jaar meer gedaan voor de rockmuziek dan U2 in vier decennia.

Thijs verliest doorgaans na een paar regels zijn belangstelling als het over U2 gaat en heeft bewondering voor iedereen die het einde van dit stuk heeft gehaald.

 

Afbeelding van Wikimedia Commons, credits: By Dtom – Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=7602647

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*