Jaarlijks drinken we in Nederland maar liefst 11,7 miljoen hectoliter bier. Ons bier is over de hele wereld bekend. In Engeland doen Grolsch en Oranjeboom (!?) het enorm goed, in de VS worden grote hoeveelheden Heineken verkocht, weliswaar met een groene ipv een rode ster, en als dat Belgische Hoegaarden het niet zo goed zou doen zou men tot ver in Australië Wieckse Witte drinken. Zelf word ik trouwens niet zo blij van al die grote merken, lang leve de lokale brouwerijtjes!

Onlangs berichtte de Volkskrant over het succes van onafhankelijke bierbrouwers. Waren er begin jaren ’80 in Nederland nog maar 13 onafhankelijken over, inmiddels zijn het er 250. Grote successen zijn het Haarlemse Jopen en (inmiddels niet meer onafhankelijke) Hertog Jan, maar ook lokale, ambachtelijke brouwerijtjes doen het goed. Volgens de Volkskrant is dit te verklaren doordat markten die door een paar grote spelers worden beheerst, wel degelijk door nieuwkomers kunnen worden bestormd. Dit is mogelijk ‘mits de consumenten zich maar krachtig afzetten tegen de grootmachten in de markt’.

Hoewel ik hoop dat er iets van waarheid zit in deze verklaring, vind ik het moeilijk om na te gaan of er hier echt sprake is geweest van de almacht van consumentenkracht. Ik vraag me bijvoorbeeld af in hoeverre lokale brouwerijtjes door gemeentes, provincies en stichtingen worden gesteund. Aan de andere kant, de kans is groot dat de Heineken’s van deze wereld een voordelige ruling kunnen afspreken met de Nederlandse of Luxemburgse fiscus. Eerlijke concurrentie is een sprookje; als de hand van de markt niet onzichtbaar zou zijn, zou iedereen zien hoe vuil ie is.

Toch is voor bier de markt de enige weg. Juist als socialist gruw ik van het idee dat de staat (of de EU! Stel je de volkswoede voor…) een monopolie zou hebben op het brouwen van bier, of zich er overmatig mee zou bemoeien door bijvoorbeeld mijn favoriete biertje te verbieden. Volgens mij zit in ons land van koning Bier ook helemaal niemand te wachten op een nieuw Reinheitsgebot. Om gezondheidsredenen zijn maatregelen zoals het inperken van reclames en het zetten van accijnzen te begrijpen. Maar als je graag limonade in je bier wilt doen, ga je gang!

Zolang speciaalzaken, caféhouders en supermarkten redelijk vrij zijn in welk bier ze mogen verkopen, hebben we weinig te vrezen.  Als die brouwers het met z’n allen verpesten ga ik wel wijn drinken. Wat dat betreft is bier onbelangrijk genoeg om aan de markt over te laten. Daarentegen zijn onafhankelijke brouwerijtjes belangrijk genoeg om de vrije biermarkt een beetje kleiner te maken. Lokale brouwerijtjes stimuleren de culturele identiteit van een stad of regio. Het zou helemaal niet verkeerd zijn als de lokale overheid, om culturele redenen, deze brouwerijen zouden steunen als dat nodig zou zijn om hun bestaan mogelijk te maken.

Natuurlijk betekent dit ietsjes minder winst voor de grote jongens, maar zolang de gesteunde brouwerijtjes klein blijven en eventuele expansiedrift niet door de overheid wordt gefinancierd, blijven alleen markt-fundamentalistische ideologische bezwaren over. Daar valt vrijwel nooit bier van te brouwen.

Bart claimt trouwens te kunnen proeven of bier met of zonder subsidie is gebrouwen.

Dit is het eerste blogje uit een serie over de grenzen van de markt.

 

2 Responses to De grenzen van de markt: Gemeentepils

  1. Janoz says:

    Toch mooi, schrijven voor een blog waar het (ook) gaat over metal en bier. Niettemin heb ik nog wel wat serieuzere verzoeknummertjes voor een serie ‘grenzen van de markt’, bijvoorbeeld banken, verzekeringen en de ontwikkeling van medicijnen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*