Tijdens het debat over het leenstelsel van 4 november jongstleden werden een havo-scholier, mbo-student, hbo-student én een docent in het hoger onderwijs verwijderd van de publieke tribune, omdat zij zich boos maakten. De docent in kwestie heeft een open brief geschreven over de kwestie. Deze verscheen eerder hier.

 

Geachte Minister Bussemaker en Tweede Kamer-leden,

Mijn excuses dat ik gisteren met drie bezorgde collega-onverlaten uw beraadslaging interrumpeerde. U heeft er vast niet van wakker gelegen, maar ik vond het nodig. Waarom laat een docent uit het hoger onderwijs zich anders samen met een hogeschoolstudent, een ROC-leerling en een havo-scholier verwijderen van de publieke tribune van de Tweede Kamer?

Niet omdat, zoals de Volkskrant vandaag stelt, alle argumenten al besproken zijn omtrent het plan van minister Bussemaker om via het leenstelsel te investeren in het hoger onderwijs. Wel omdat het, zoals RTL Nieuws concludeert, om de grootste onderwijshervorming in dertig jaar gaat. En helaas, omdat op dit moment alleen de oppositiepartijen in de Tweede Kamer lijken in te zien in welk moreel en financieel fiasco het Nederlandse hoger onderwijs zich lijkt te schikken. Al schuurt het ook in de alternatieven die zij voorstaan nog wel op verschillende vlakken.

Laat ik, om de (relatief) oorverdovende stilte vanuit het hoger onderwijs in dit debat te helpen verbreken, voor u een aantal meer onderwijsinhoudelijk gerelateerde overwegingen op een rijtje zetten waar veel docenten in het hoger onderwijs zich wel zeker zorgen over maken. Wij zien u bijna de keus gaan maken voor een op morele en economische gronden risicovol voorstel wat, zoals al vanaf begin af aan duidelijk is, maar weinig echte garanties biedt op wezenlijke investeringen in het hoger onderwijs in de toekomst. Vergeef ons dat we over dat laatste in de loop der jaren überhaupt wat cynisch zijn geworden. We zijn een vervelend en niet snel tevreden beroepsgroep op dat gebied.

Minder hoger opgeleiden – prima, maar wel op de juiste gronden
Het is in theorie prima wanneer we met z’n allen concluderen dat we teveel hoger opgeleiden ‘op de markt brengen’ en dat dit voor perverse effecten op de arbeidsmarkt zorgt. Dat zegt echter niets over het ideaal om zoveel mogelijk (jonge) mensen hun cognitieve talenten zo uitgebreid mogelijk te laten benutten en veel meer over de wijze waarop we in onze samenleving met beloning van arbeid en verdeling van welvaart omgaan. Als docent wil ik iedereen die zichzelf wil uitdagen, helpen zich maximaal te ontwikkelen via het onderwijs. Dat hoeft niet per se te leiden tot het worden van een (te) duurbetaalde professional, maar leidt volgens onderzoek wel minimaal tot meer maatschappelijke participatie en een gezonder en gelukkiger leven – en het schijnt dat we dat in de democratie, gezondheidszorg en economie ook terugverdienen.

Een andere denkkronkel schijnt nog steeds te zijn dat minder studenten in het hoger onderwijs betekent dat wij als docenten meer aandacht gaan krijgen om aan die studenten beter (of: nu eens weer echt) hoger onderwijs te kunnen bieden. Ook dit zou in theorie te verdedigen zijn, maar als straks minder studenten instromen in het hoger onderwijs, zal de onderwijs-slagkracht van (op zijn minst) de hoger (beroeps)onderwijsinstellingen even gelijkmatig afnemen en zullen we die belofte helaas niet waar kunnen maken. Ook hier biedt het leenstelsel dus geen oplossing. En is de ambitie van de minister echt om een strengere selectie toe te passen op diegenen die aan het hoger onderwijs willen deelnemen, laten we die dan toepassen op motivatie en intellectueel vermogen en niet op de financiële draagkracht van familie.

Want terwijl alle seinen, ook volgens de minister, op dat laatste punt op rood staan, dendert de leenstelsellobby onverdroten door. In de dagelijkse onderwijsrealiteit is de motivatie en drive van veel van de eerste generatie studenten in het hoger onderwijs een verrijking voor zowel docenten als hun medestudenten (die een gratis maatschappelijke reality check krijgen waarin ze kennis maken met de inzichten en ervaringen van jongeren die voor hun vertier tijdens hun jeugd wel van een buurthuis afhankelijk waren en nog weten hoe het is om met zes kinderen op een flatje in Kanaleneiland te wonen). En ook voor het werkveld is het tijdens stages en na afronden van de opleiding een meerwaarde dat we professionals opleiden die zijn opgegroeid in sociaaleconomische minder bedeelde thuissituaties. Hieronder bevinden zich ook in hoge mate de doorstromers vanuit het mbo, waarin onder andere allochtone studenten zijn oververtegenwoordigd. Zij verdienen de kans door te leren, helaas zijn het juist deze studenten die van huis uit het meest onder druk gezet zullen worden hun onderwijsambities te ‘downgraden’ en genoegen te nemen met een kortere onderwijscarrière om te voorkomen dat juist zij straks het meest gaan terugbetalen voor hun genoten onderwijs (en ja, dat stimuleert het voorgestelde stelsel echt).

De inhoudelijke rendementsgevolgen in het onderwijs
U kunt redeneren dat deze argumenten al gemaakt zijn, maar dat is helaas tot nu toe wel met name op economische gronden gebeurd en we hebben het met z’n allen nog niet over wat de pedagogisch-didactische prikkels zijn die van dit stelsel uitgaan, en het risico dat deze maatregelen het failliet van de solidariteit in Nederland in kunnen luiden blijft opvallend genoeg ook al buiten beschouwing.

Om met een voorbeeld te beginnen: een paar jaar geleden haalde een van mijn studenten volgens de criteria van de opleiding net aan haar stage. Ze had volgens haar stagebegeleider en de geldende normen het vermogen om te doen wat op dat moment als derdejaars pedagogiekstudent van haar verwacht werd om de stage met een voldoende af te ronden. Ze moest hiervoor echter zo op haar tenen lopen en vond de stage dermate zwaar dat ze nu al opzag tegen het voor het ‘eggie’ in haar vak aan de slag moeten gaan en zag zich ook niet door de sollicitatieprocedures raken vanwege deze onzekerheid. Ik adviseerde haar te kiezen voor een extra stagejaar, bood haar daar begeleiding bij aan en ze nam dat aanbod en die uitdaging aan. Ze doorliep haar volgende stage met veel glans (de prestatieprikkel was weggenomen en ze koos ervoor meer begeleide vlieguren dan de verplichte aan te gaan) en is inmiddels al een aantal jaar met veel vertrouwen aan het werk in de sector. Economisch in de redenatie van de boekhouders in het hoger onderwijs van vandaag de dag volledig onverantwoord (ze had tenslotte haar punten al en voor dat extra jaar onderwijs en begeleiding kreeg de instelling geen extra geld), voor haar en de samenleving bood deze optie op dat moment de ruimte die ze nodig had om de laatste stap te zetten naar het worden van een goede – en gelukkige – professional met een veel langere houdbaarheidsdatum dan ze zonder dat extra jaar was geweest. Denkt u dat ze dezelfde keuze had gemaakt in het nieuwe leenstelsel? En zullen we de economen eens laten doorrekenen als ze onder druk van economische motieven was doorgejakkerd en binnen drie jaar met een burn-out en een funest zelfbeeld had thuisgezeten?

Zij is niet het enige voorbeeld van studenten die iets meer tijd in het hoger onderwijs door moeten brengen om echt voorbereid te zijn op de arbeidsmarkt. Niet omdat ze lui of niet slim genoeg zijn, maar omdat sommige toekomstige topleraren, -pedagogen, -fysiotherapeuten, -journalisten, -techneuten of -managers soms beter iets meer tijd kunnen nemen. Tijd waar de samenleving ook bij gebaat is, maar die nu qua financiële consequenties wel zwaar op de nek van die jongeren komt te hangen. Want niet alleen leveren zij een bijdrage aan de kosten van dat onderwijs, ze betalen ook nog eens tientallen jaren rente over de investering in hun talent en vaardigheden.

Het hoger onderwijs is op dit moment ook een plek waar jong volwassenen hun grenzen leren verkennen op het gebied van maatschappelijk verantwoordelijkheid nemen buiten je studie. Toegegeven, dit kan een jongere ook zonder een hoger onderwijsopleiding bij de scouting doen, maar bijvoorbeeld het aantal hoog opgeleide scheidsrechters, sportbestuurders en technisch kader wat bij studentensportverenigingen wordt gekweekt tijdens de studie, heeft sportland Nederland hard nodig. En er is een reden dat de gemiddelde studietijd van Tweede Kamerleden en bewindslieden een stuk hoger ligt dan die van hun ambtenaren en de gemiddelde burger – ook op het gebied van democratische vaardigheden en actief burgerschap kunnen studenten veel leren tijdens de studie, maar ook daar moeten ze soms extra tijd voor nemen. En die bestuurders van gezelligheidsverenigingen – ja, die drinken bier, maar runnen tijdens een bestuursjaar ook een horecagelegenheid met alle wet- en regelgeving die daarbij komt kijken, geven sturing aan een idioot effectieve vrijwilligersorganisatie, onderhouden vaak historische panden en zijn op hun begin-twintigste verantwoordelijk voor een begroting van tonnen. Ik geef het de gemiddelde doorgewinterde manager te doen.

Dit alles wordt in het nieuwe stelsel onnodig onder druk gezet. En waarom? Omdat niemand bij – ik neem zo maar aan – coalitieaanvoerder VVD durft af te dwingen dat extra nivelleren op economisch rendement van de studie de enige sociaaleconomische waardige en juiste manier is om studenten die genoten hebben van het hoger onderwijs te laten bijdragen aan het hoger onderwijs van de toekomst.

Een economisch en maatschappelijk duurzame oplossing
Hoe de perverse prikkels die het leenstelsel met zich meebrengt weg te nemen, is namelijk schrikbarend simpel, maar behelst helaas wel de politiek altijd beladen tussenkomst en inzet van de Belastingdienst.

Voor ieder jaar dat studenten zich bekwamen in hun vaardigheden voor de toekomst binnen het hoger onderwijs, kun je hen een x-aantal jaar een x-percentage extra belasting laten betalen (de in te vullen cijfers laat ik graag aan de rekenmeesters van uw departement en partijen over). Hierdoor betaalt degene met het meeste economische rendement (degene met het hoogste inkomen) van de studie in absolute zin meer terug dan degene die hier minder financieel gewin van heeft. Of een student zijn diploma haalt is opeens geen graadmeter meer en hoeveel hij of zij verdient na afstuderen zorgt niet langer voor meer rentekosten voor de langst afbetalende oud-student (lees: degene die na de studie het minste economische rendement van de studie hebben omdat men dit niet per se kan of wil verzilveren voor een hoog salaris).

Deze beleidskeuze zorgt er voor dat er voldoende leraren voor het basisonderwijs blijven kiezen in plaats van voor het lucratievere voortgezet, middelbaar of hoger onderwijs, dat niet iedere medewerker in de zorg op een management- of teamleidersfunctie aast en straks niet alleen de financieel-economische faculteiten nog een stijgend marktaandeel zullen laten zien.

Opvallend economisch voordeel van dit systeem: er zitten veel minder onzekerheden in dan in de leenstelselvariant (betaalt iedereen wel terug?) en het is makkelijk tussentijds bij te draaien (een procentje belasting voor hoger opgeleiden meer of minder is periodiek simpel te organiseren).

Dat de minister en coalitiepartners naar een manier zoeken om studenten meer te laten bijdragen aan de kosten van het hoger onderwijs, vind ik dan ook geen enkel probleem. Dat de vorm waarvoor nu gekozen wordt zowel het ideaal van breed toegankelijk hoger onderwijs voor iedereen en het maximale uit je studie halen, onder druk zet, zonder garanties op extra investeringen in datzelfde hoger onderwijs, getuigt misschien wel van het feit dat we in het hoger onderwijs ons werk de afgelopen jaren toch niet zo goed hebben weten te doen.

Dat een bewindsvrouw, een compleet onderwijsdepartement en onze volksvertegenwoordiging met een daarin een oververtegenwoordiging aan master-afgestudeerden niet lijkt in te zien dat je met dit voorstel een groot aantal toekomstige studenten aanleert dat onderwijs van een ideaal een rekenmodel is geworden dat bovendien de solidariteit tussen generaties de komende jaren flink onder druk zal zetten, is namelijk geen reclame voor de opleidingen die zij genoten hebben aan onze hoger onderwijsinstellingen.

Want denkt u, om af te sluiten, dat de studenten die volgend jaar beginnen met hun studie in het nieuwe systeem, na hun afstuderen nog enige aanstalten zullen maken om hun voormalige docenten, politici en ouders te helpen hun tekorten op het gebied van zorgkosten, pensioengaten en andere mogelijke financiële tegenvallers op te vangen? Of dat men bereid zal zijn elders in Europa of de wereld bij te springen, wanneer hun leeftijdsgenoten in Europa en Kenia wel ‘gratis’ hoger onderwijs hebben kunnen volgen? Terwijl voor deze generatie naast alle financiële verplichtingen ook nog eens de rente over hun studielening op blijft lopen?

Ik vraag het me af.

Amerikaanse onderwijspraktijken of een innovatief Nederlands alternatief?
Vandaag stuurt namelijk ook een Amerikaanse student die in Nederlands studeert omdat het hoger onderwijs op dit moment hier nog te betalen is, Minister Bussemaker een brief waarin hij uitlegt hoe de kosten voor een hoger onderwijsopleiding in Amerika zo uit de klauwen zijn gaan lopen. En welke maatschappelijke gevolgen dit tot gevolg heeft. U raadt het al, hij voorziet een glijdende schaal waarin het beste onderwijs ook in Nederland in de toekomst steeds vaker voor de ‘happy veel vermogende few’ zal blijken te zijn. En de gevolgen die dit onderwijssysteem in Amerika met zich meebrengt, zijn hoop ik ook hier ten lande wel bekend.

Geachte Minister en Tweede Kamerleden, in dat systeem wil ik mijn studenten niet opleiden en onze jongeren niet opvoeden. En daarom ondersteun(de) ik gisteren, vandaag, morgen en zo lang als nodig studenten en scholieren die zich hiertegen verzetten. Niet alleen met een geluid vanaf de publieke tribune, maar ook met een inhoudelijke bijdrage aan de discussie. Waarin helaas nog niet alle argumenten en overwegingen voor het voetlicht zijn gebracht en wellicht ook niet voldoende gehoord (zullen) worden.

Maar ik u vraag ten zeerste nog eens een nachtje te slapen over uw voorgestelde financieringskeuze en deze op verschillende terreinen risicovolle route spoedig te verlaten voor een andere afslag met dezelfde insteek: studenten vanuit het economisch rendement wat zij dankzij het hoger onderwijs genieten laten bijdrage aan het hoger onderwijs van de toekomst. Maar dan wel op een manier die de sociale cohesie in de samenleving versterkt en jonge mensen stimuleert het beste uit zichzelf te halen.

U slaat daar gezamenlijk geen politieke flater mee, maar toont aan onze toekomstige professionals, hun ouders en omgeving dat het kan lonen om ingenomen standpunten te heroverwegen en dat moreel leiderschap belangrijker is dan politiek gewin.

U zou onze jeugd, hun ouders, maar ook mij en mijn collega’s in het hoger onderwijs en de solidariteit tussen generaties in Nederland daar een grote dienst mee bewijzen.

Ik wens u wijsheid en dat leiderschap de komende weken. En mocht u hierover in gesprek willen gaan, dan maak ik daar graag tijd voor,

 

Joost de Bruin

Docent pedagogiek en coördinator Studium Generale

Tagged with:
 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*