“Leerlingen en studenten verdienen goed onderwijs. Goed onderwijs vereist goed bestuur.” Met deze woorden begint minister Bussemaker haar brief aan de Tweede Kamer over Versterking bestuurskracht onderwijs. Eerder kondigde de minister aan dat deze brief voorstellen zou bevatten om de medezeggenschap en het toezicht te versterken. Immers, Inholland, Amarantis, Zadkine, BOOR en de Vrije Universiteit zijn voorbeelden uit verschillende sectoren waar het de afgelopen jaren goed mis ging. Door externe omstandigheden, maar ook door fouten van bestuurders en van toezichthouders. Er is duidelijk een patroon te zien, al spreekt de minister liever over ‘incidenten’. De Onderwijsraad doet hetzelfde in het rapport Publieke belangen dienen, dat onlangs verscheen en gaat over de maatschappelijke taak van de onderwijsbestuurders. Volgens de raad zijn scherpere regels niet nodig: “Wijzigingen in het governancemodel zijn niet noodzakelijk, en op dit moment zelfs onwenselijk. De raad wil de aandacht richten op een betere toepassing van het model in de praktijk.”

Raar eigenlijk, dat er kennelijk een angst is om regels aan te scherpen, in een sector waar veel misstanden zijn geconstateerd. Waarin studenten en onderwijspersoneel graag willen meepraten over goed onderwijs en gezond financieel beleid, maar daar weinig middelen voor hebben. Door beter gebruik te maken van medezeggenschap, wordt ook de kwaliteit van het onderwijs naar een hoger niveau getild. Wie anders heeft meer baat bij het goed functioneren van de onderwijsorganisatie en goed onderwijs dan personeel en studenten? Wie hebben meer reden om een stokje te steken voor doorgeslagen wervingscampagnes, vastgoedspeculaties, fusiedrang, topsalarissen en torenhoge reclamebudgetten? De reden dat onderwijskoepels zo krampachtig reageren als het gaat om meer (mede)zeggenschap zegt iets over de behoudzucht voor hun eigen positie en angst voor kritiek.

Falend onderzoek
In 2009 gaf de Kamer aan medezeggenschap belangrijk te vinden. Deze discussie werd aangezwengeld door een onderzoekje van de LSVb. Daaruit bleek dat meer dan 70 procent van de opleidingssecretariaten niet wist wat de opleidingscommissie (OC) was. Op geen enkele van de onderzochte hogescholen waren opleidingscommissies goed te vinden via de website en hetzelfde gold voor 70 procent van de universiteiten. Toenmalig VVD-onderwijswoordvoerder Halbe Zijlstra diende onder het mom van ‘horizontale verantwoording’ een motie in. Hierin werd opgeroepen om in het geplande onderzoek naar het functioneren van opleidingscommissies ook te kijken naar de mogelijkheden voor het invoeren van een instemmingsrecht en het opwaarderen van de commissie tot een ‘echt’ medezeggenschapsorgaan. Studentenorganisaties telden hun zegeningen, want uit dit onderzoek zou immers blijken dat veel OC’s inderdaad niet functioneerden, beter ondersteund moesten worden en meer zeggenschap goed was voor de kwaliteit van het onderwijs. Helaas liep het anders.

De Onderwijsinspectie stuurde eerst een aankondiging per brief naar het bestuur van instellingen van de 696 opleidingen die binnen de steekproef vielen. Vervolgens zijn per opleiding maar liefst drie brieven gestuurd: naar de opleidingsmanager, een student-lid en een docent-lid. Ondanks deze vier(!) verschillende brieven was het responspercentage voor hbo en wo respectievelijk 51 en 57 procent. Als we verder kijken zien we echter dat de respons onder opleidingsmanagers (34 procent) hoger is dan de reacties vanuit leden van de opleidingscommissies (30 procent). Het is dan ook niet verbazingwekkend dat uit het onderzoek blijkt dat men tevreden is over het functioneren van de opleidingscommissie. Dat er ook een grote mate van tevredenheid is over de samenwerking met het management – en met name de managers dat zelf vinden – zal bovendien geen grote verrassing zijn.

Helaas zegt het rapport niets over de bijna 50 procent die niet reageerde op de verschillende brieven. Waarschijnlijk het deel dat minder goed functioneerde… of waarvan de leden enkel op papier bestonden. Helaas werd op basis van deze uitkomsten wel geconstateerd dat er kennelijk geen noodzaak bestond om de positie van OC’s te verbeteren.   

Bredere taak opleidingscommissies
Helaas leren onderwijsministers weinig van het verleden. En gooit ook de huidige minister het vooral op de cultuur, in plaats van op het veranderen van regels: “Een cultuur wordt immers niet gedicteerd met regels van bovenaf”. In plaats van de mogelijkheid aan te grijpen de teugels strakker te trekken, spreekt de minister vooral over (vrijblijvende) governancecodes en het versterken van de rol van de Onderwijsinspectie. Jammer, want veel incidenten hadden niet plaatsgevonden wanneer de medezeggenschap sterker stond. Te beginnen bij de opleidingscommissie,dit is immers het orgaan dat het dichtst op de opleiding zit enaarin docenten en studenten zich samen inspannen om het onderwijs te verbeteren.

 De OC heeft de taak de Onderwijs- en Examenregeling jaarlijks te beoordelen. In praktijk is dit op veel plaatsen een wassen neus en wordt de Onderwijs- en Examenregeling – vaak onder tijdsdruk- alleen globaal bekeken, zonder een grondige discussie over de inhoud te voeren. Daarom zou het goed zijn als de OC haar wettelijke taak breed interpreteert en de leden eenmaal per jaar de vakken afzonderlijk bekijken op een aantal punten, zoals de studielast. Dit zit formeel inbegrepen in het advies over de Onderwijs- en Examenregeling, maar het gebeurt in praktijk vaak niet. Iedere student kan zich wel een vak herinneren dat met twee vingers in de neus wordt doorlopen. Wanneer de OC expliciet opdracht krijgt alle afzonderlijke vakken onder de loep te nemen én hierover een advies te sturen naar het opleidingsbestuur, heeft dat meerdere voordelen. Het meest belangrijke winstpunt is natuurlijk dat het de kwaliteit van het onderwijs ten goede komt. Wanneer het opleidingsbestuur de juiste vervolgstappen na het advies neemt, komt er een einde aan vakken die veel te weinig uitdagen. Maar daarnaast wordt de opleiding gedwongen een goed functionerende OC aan te stellen en vindt een verbeterslag plaats doordat de leden vaker bij elkaar komen. Bovendien heeft ook het externe toezicht (de visitatiepanels en de NVAO) baat bij deze evaluaties. Een extra verbeterslag kan bovendien worden gemaakt wanneer de evaluaties van een hele instelling aan de centrale medezeggenschapsraad en het college van bestuur worden gestuurd. Zij krijgen dan een totaaloverzicht en kunnen – waar nodig – bijsturen.

Het evalueren van vakken kan de OC natuurlijk ook op eigen houtje doen. Maar zoals eerder aangegeven staan niet alle bestuurders te wachten op adviezen. Daarnaast gebeurt het werk vaak onder tijdsdruk, met minimale ondersteuning en een overheid die liever heeft dat deze studenten studeren, dan hun tijd steken in het verbeteren van de opleiding.

Er moet zeker een cultuurverandering komen, vooral bij de overheid. De cultuur van het afschuiven van problemen en van het de hand boven het hoofd houden van vriendjes en partijgenoten in de bestuurlijke circuits moet worden doorbroken. Wanneer de overheid daarin slaagt en ze docenten en studenten de rol en de wettelijke bevoegdheden geeft die daar bijhoren, kan ook eindelijk een cultuurverandering op onderwijsinstellingen plaatsvinden. Maar zonder dat bestuurders wettelijk gedwongen worden zich iets aan te trekken van hun docenten en studenten, gaat dat nooit gebeuren.

Een uitgebreide versie van dit stuk verscheen eerder op Scienceguide. De afbeelding is gemaakt door Typetank.

2 Responses to Beter onderwijs door medezeggenschap

  1. Ernstjan says:

    Mooi, hoef ik dit stuk ook niet meer te schrijven 😉

    Maar: regels regelen op zichzelf niets, en je hebt weinig aan scherpere regels (bredere interpretatie) als de mensen er niets mee doen. Ze hebben de kans, de mogelijkheid, de wettelijke bevoegdheden, maar ze moeten er wel ook iets mee doen! Het zijn uiteindelijk de docenten en studenten die het moeten doen. Opleidingscommissies, faculteitsraden en centrale medezeggenschap moeten geen papieren tijgers zijn. Wat ik vooral mis is opleiding, training en voorbereiding.

    Je hebt niets aan ongetrainde medezeggenschap dat enkel kijkt naar het OER van een bestaand pakket en wat vakken afzonderlijk. Aantal studiepunten zegt niets over de inhoud. De ene 15 EC is de andere 15 EC niet. Wordt er feitelijk wel getoetst op domeinspecifieke vaardigheden? Zijn deze wel voldoende goed gedefinieerd? Of zijn de stukken dermate vaag dat het in feite gewoonweg gaat om “algemene” vaardigheden?

    Wat is het verschil tussen advies-recht en instemmings-recht? Wanneer moet het CvB bij een geschil terugkoppelen op de inhoud? Wanneer kunnen ze zonder inhoudelijke motivatie hun weg gaan? etc.

    Daarom zou ik dus ook sterk pleiten voor een sterke inzet op grondige training van rechten, plichten en onderwijskwaliteit bij alle medezeggenschapslagen. Ik denk dat dat misschien wel meer kan helpen dan nog meer regeltjes.

  2. […] zou verhalen op de actievoerders. 47 keer gelezen. Cultuurverandering moet beginnen bij OCW. Beter onderwijs door medezeggenschap. Cultuurverandering moet beginnen bij OCW. Related:  Humanities   – […]

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*