Sinds Geert Wilders begon aan zijn kruistocht richting Den Haag is er veel gezegd en geschreven over het ‘nieuwe populisme’. Laatste bijdrage aan deze disussie kwam van Alexander Pechtold, die besloot dat ook hij maar eens met de vermaarde Henk en Ingrid moest gaan praten. De poging van Pechtold maakt deel uit van een bredere poging om dit populisme te bestrijden, maar tegelijkertijd blijft het wat onduidelijk wat dat populisme nou precies is. Immers, is de zoektocht van Pechtold naar Henk & Ingrid niet zelf ook populistisch?

Wat is ‘populisme’?
Populisme heeft ontegenzeggelijk iets van doen met het volk, maar wordt in het dagelijks gebruik ook geassocieerd met demagogie, fact-free politics en een onbereidwilligheid tot het sluiten van compromissen. Vanuit deze optiek heeft politiek altijd een zeker populistisch element. Immers, alle politici maken gebruik van retoriek, hebben hun ‘breekpunten’ en proberen een zoveel mogelijk kiezers te trekken. Toch is er een verschil tussen deze populistische stijl van politiek bedrijven, en een daadwerkelijk populistische visie. Een ‘academische’ visie op het populisme ziet het als: “een strijd tussen een deugdzaam en homogeen volk tegenover een verzameling elites en gevaarlijke ‘anderen’, die samen het sovereine volk zijn rechten, waarden, welvaart, identiteit en stem ontzeggen, of dat proberen”[1]. Hoewel alle politieke partijen in een democratie dus meer of minder gebruik maken van de populistische stijl, delen ze zeker niet allemaal de populistische visie. Deze visie vertaalt zich naar een radicaal andere invulling van de rol van de democratie. Populisten met deze visie willen niet alleen ander beleid, maar ook een type democratie dat ik hier de volksdemocratie zal noemen. Het voornaamste alternatief, de liberaal democratische rechtsstaat, is daarentegen gegrond in een burgermaatschappij.

Burgermaatschappij of Volksdemocratie?
De burgermaatschappij is gebaseerd op het idee dat waarden als vrijheid en gelijkheid universeel zijn, zodat daar voor ieder individueel geldende burgerrechten en -plichten aan ontleend kunnen worden. Vanwege het universele karakter van deze waarden, kan iedereen lid worden van de burgermaatschappij. Iedereen is in potentie een burger. Omdat al deze burgers er verder verschillende visies, meningen en waarden op nahouden, is er een proces nodig om hun samenzijn in goede banen te leiden. Dit proces is de democratie. De burgermaatschappij is zodoende open en pluriform, individualistisch, participatief en gericht op overleg.

Tegenover de burgermaatschappij staat de volksdemocratie. In plaats van universele individuele rechten wijst de volksdemocratie selectieve groepsrechten toe. Alleen zij die deel uitmaken van het ‘volk’, een cultureel, etnisch of symbolisch afgebakende groep, kunnen aanspraak maken op alle rechten. Niet iedereen kan deel uitmaken van de gemeenschap, zodat er een scheiding ontstaat tussen volledige burgers en zij die dat niet zijn. Omdat het volk zelf wordt gezien als een ondeelbare en soevereine eenheid heeft democratie niet de functie verschillende opvattingen te harmoniseren, maar de eenduidige volkswil tot uitdrukking te brengen. De volksdemocratie is gesloten, uniform, collectivistisch, passief en conformistisch.

De kracht van de volksdemocratie is de gemeenschappelijke identiteit, die veiligheid en verbondenheid biedt. In tegenstelling tot de individualistische burgermaatschappij, geeft de volksdemocratie het volk bestaansrecht en verankering in een bedreigende wereld. Maar hierin schuilt ook het gevaar. De groepsidentiteit is alleen veilig als deze constant wordt herbevestigd. Dit wordt gedaan door afzetten tegen ‘de ander’, wat resulteert in afweer van het externe, en intolerantie jegens het afwijkende interne. Alleen een ‘zuiver’ volk is krachtig en deugdzaam, en dus moeten on-volkse elementen geweerd of verwijderd worden. Dit leidt tot xenofobie, intolerantie en een dwingend conformisme.
Ook neigt de volksdemocratie naar autoritarisme. Omdat de volkswil één is, laat zij zich beter verwoorden door één sterke leider, dan een democratische kakofonie. Deze leider is niet slechts de vertegenwoordiger van het volk, maar de belichaming ervan. De volksdemocratie is dus vatbaar voor het ontstaan van een leiderschapscultus.

De combinatie van deze twee eigenschappen: intolerantie en autoritarisme, wordt echt gevaarlijk wanneer de werkelijkheid niet met de volkswil overeenstemt. Omdat de volkswil als onfeilbaar wordt gezien, kunnen deze afwijkingen alleen het gevolg zijn van subversieve elementen die het volk ondermijnen. Hoe groter de afwijking tussen wens en werkelijkheid, hoe sterker de paranoia en hoe harder de aanpak van alles wat anders, vreemd en onbegrepen is.

Populisme in Nederland
Kijkend naar Nederland is het overduidelijk dat de PVV uitgaat van het idee van een volksdemocratie. Het gedweep met de ‘hardwerkende echte Nederlanders’, de afwijzing van partijdemocratie, de verheerlijking van Wilders en de voortdurende strijd tegen alles wat volksvreemd is: de intelligentsia, immigranten, de islam, de elite, kustenaars en sinds kort de Oost Europeanen. Dit alles ingebed in een mythe waarin het volk het slachtoffer is geworden van verraad van binnenuit en verovering van buitenaf, en zichzelf alleen kan redden door zich te zuiveren van het onvolkse. Hierin ligt ook de associaties van Wilders met het fascisme. Natuurlijk is Wilders geen Hitler, maar net zoals andere populisten, zoals de Hongaarse Orbán, deelt hij met het fascisme de nadruk op de volksdemocratie. Een nadruk die overigens niet exclusief aan ‘rechts’ is voorbehouden.

Deze belegeringsmentaliteit maakt het ook zo moeilijk het populisme te ‘bestrijden’. Populisten zien in elke aanval immers een bevestiging van hun slachtofferrol en de vijandigheid van ‘de ander’. Vol in de aanval gaan werkt dus averechts. Dat wil niet zeggen dat feitenloze politiek en demagogie niet onderkend en weerlegd moeten worden. Maar dat kan hooguit een deel van het antwoord zijn.

Een antwoord op de Volksdemocratie
Antwoord geven op het populisme kan alleen door de burgermaatschappij als echt alternatief naar voren te brengen. Populisme verdwijnt niet zolang het verlangen naar de volksdemocratie sterk is. Het is dus belangrijk de burgermaatschappij weer aantrekkelijk te maken. In tijden van onzekerheid, angst en neergang is dat lastig, maar niet onmogelijk. Net als de volksdemocratie moet de burgermaatschappij burgers een gevoel van veiligheid en saamhorigheid verschaffen. Dit kan bijvoorbeeld door nadruk te leggen op de kernwaarden van de burgermaatschappij, zoals tolerantie, vrijheid en diversiteit, en daarmee verbondenheid te creëren. Het is ook juist daarom dat Wilders deze waarden deels heeft gecoöpteerd en de rest in diskrediet heeft gebracht. In een gemeenschap die is gebouwd op deze waarden, in plaats van een conformistische cultuur, is de populist krachteloos.

Er zijn een aantal manieren om de burgermaatschappij aantrekkelijk te maken. Hieronder zijn er drie geschetst:

1. De burgermaatschappij moet een gemeenschap van waarden creëren, in plaats van een gemeenschap van cultuur. Het is niet vreemder een groepsidentiteit op te bouwen rondom tolerantie, democratie, solidariteit en respect voor het individu, dan vanuit een voorliefde voor boerenkool en de Elfstedentocht. Het is vooral belangrijk dat politici niet populistisch tegen elkaar gaan opbieden en zo de volksgedachte meer gestalte geven. Het ‘Nederland voor de Nederlanders‘ van Rutte is dus zeker een stap in de verkeerde richting.

2. Burgers moeten volop mogelijkheden hebben in deze burgermaatschappij deel te nemen. Eén van de kenmerken van de volksdemocratie is dat deze passief is. De volkswil ligt immers bij het collectief, niet bij het individu. Burgers hoeven zich dus slechts te conformeren aan de volkswil, die gemakshalve door de leider wordt uitgedragen. Maar de ervaring leert dat de meeste burgers autonomie, zelfbeschikking en democratische invloed bijzonder waarderen. Politici moeten dus niet uit angst voor de burger afzien van democratisering en zelfbestuur. Goed ontworpen democratische processen brengen burgers bij elkaar en leren ze respect te hebben voor verschillende opvattingen. Belangrijk hierbij is dat de burger zich ‘eigenaar’ voelt van het democratisch proces en de daaruit volgende beslissingen. Het risicio op de ‘tirannie van de meerderheid’ is juist het grootst in volksraadplegingen die uitsluitend tot doel hebben de ‘volkswil’ tot uiting te brengen via een overgesimplificeerde ‘voor’ of ‘tegen’ (ons) vraagstelling.

3. De burgermaatschappij moet hoop schenken. De volksdemocratie wordt aantrekkelijk wanneer mensen zich bedreigd voelen en bang zijn voor de toekomst. Daartegenover moet de burgermaatschappij een gezamenlijk project plaatsen, een visie op een betere toekomst waar men gezamenlijk aan bouwt. Saamhorigheid ontstaat dan niet als gevolg van uitsluiting van de ander, maar door gezamenlijke inspanning en optimisme. De volksdemocratie drijft ten dele op angst, en het beste medicijn tegen angst is hoop.

Nog twee zaken moeten worden opgemerkt. Allereerst dat een oproep voor een burgermaatschappij niet hetzelfde is als het ontkennen van het bestaan van een volk. Het punt is eerder dat ‘het volk’ niet de juiste gemeenschap is om de democratie op te bouwen. Er moet geen verband zijn tussen liefde voor de Elfstedentocht en de hoeveelheid rechten die een burger heeft.

Ten tweede waarom de burgermaatschappij de voorkeur geniet boven een volksdemocratie. Ook de burgermaatschappij is immers niet perfect, en het is onmogelijk een objectieve keuze te maken. Maar in een 21e eeuwse samenleving, met een veelheid aan meningen, levensovertuigingen en culturele voorkeuren waarin individuele vrijheid veel respect geniet, past de burgermaatschappij beter dan de volksdemocratie. Zelfs voor leden van het volk bestaat in de volksdemocratie altijd het risico zich opeens buiten de groep te bevinden. In een pluriforme samenleving biedt de burgermaatschappij dus paradoxaal genoeg méér zekerheid dan de volksdemocratie. Niet omdat men deel uitmaakt van een overzichtelijke en eenduidige groep. Maar wel omdat men nooit hoeft te vrezen van de ene op de andere dag van vriend in vijand te veranderen.

[1] Vrij vertaald naar: Albertazzi, D. & McDonnell, D. in Twenty-First Century Populism: The Spectre of Western European Democracy.

Tagged with:
 

9 Responses to De Democratische Volksrepubliek Nederland

  1. jasper van Sprundel says:

    Goed stuk. Al kan er hier en daar een regel geschrapt kunnen worden zonder de kwaliteit schade te doen. Ikzelf erger me ook bijzonder aan hoe de PVV 2e rangs burgers creert met een minderwaardige mening en minder rechten.

  2. Lisa says:

    Nog los van de kwestie dat de term ‘populist’ op andere manieren uitgelegd kan worden, vind ik het wat lastig om de vraag te kunnen beantwoorden of de zoektoch van Pechtold als populistisch bestempeld kan worden. Daarvoor hebben we toch echt de visie van Pechtold zelf nodig. Dus net zoals in de vorige discussie over dit onderwerp nog eens de vraag hoe Pechtold zelf invulling geeft aan de term. Weet iemand dat of geven we kritiek op iemand zonder zelf een letter uit z’n boek gelezen te hebben?

  3. Frank says:

    Oh, hoewel dat misschien niet zo lijkt, is het doel van de verhandeling niet om de vraag te beantwoorden of Pechtold al dan niet een populist is. Die vraag is slechts opgenomen in de inleiding om te laten zien hoe het problematisch kan zijn de term ‘populist’ als gedefinieerd in ‘normaal taalgebruik’ toe te passen.

  4. Lisa says:

    @Frank, ik lees je stuk ook niet alsof het primair een aanval is op het boek van Pechtold, maar omdat de vraag gesteld wordt aan het begin komt het wel over als verwijt.

    Ben het met je eens dat term ‘populist’ problematisch is in het dagelijks taalgebruik. Dit heeft er mede mee te maken dat er zoveel invullingen aan de term worden gegeven.

  5. Ilse says:

    Frank, je benoemt wel dat er nadelen zijn aan de burgermaatschappij, maar je licht ze niet uit.

    Wat nuance lijkt me wel op zijn plaats. Terecht benoem je dat mensen hun toevlucht nemen tot de volksdemocratie uit angst. Bij je punten heb ik wel een paar kanttekeningen.

    1. Er is een grote groep mensen in Nederland die deze waarden zelf niet ervaart. Als je deze waarden niet ervaart, hoe kan je ze dan uitdragen? Een deel van deze groep zal je niet eens kunnen uitleggen wat elk begrip inhoudt. Bah, moeilijke woorden.

    2. Mee eens. Maar. Een groot deel van ‘het volk’ zoekt juist toevlucht bij elkaar/in een bekende identiteit/in het passieve, omdat zij ofwel niet goed ingelicht zijn in de ingewikkeldheid die politiek heet, of dit niet goed kunnen volgen. Als de politieke bovenlaag nu eens begint om hun betogen in Jip en Janneketaal te vertellen in plaats van hun best te doen om geleerd over te komen, kunnen zij deze mensen meer bewegen tot zelf nadenken over hun eigen waarden en hen zo bewegen om actief mee te doen (ofwel: participeren 😉 ) aan de politiek.
    En, zijsprongetje: waar ik me dan toch over verbaas is dat de ‘volksvertegenwoordigers’ die de leiding nemen vaak júist anders zijn dan het volk zelf, dat volk dat alles wat anders is uit wil sluiten. Nederlanders die denken dat alle Limburgers schreeuwende populistische racisten zijn doen er denk ik goed aan om bovenstaande in hun achterhoofd te nemen.

    3. Mee eens. Ik vrees alleen dat mensen makkelijker te bewegen zijn in tijden van vrees dan in tijden van hoop. Als je in de zon op het gras zit, en je kan het jezelf nog comfortabeler maken door een ligbedje te halen aan de andere kant van het park, zal je minder snel in actie komen dan wanneer je in de zon op het gras zit en er dreigt een hond op je kleedje te poepen.

    Verder vind ik het wel een mooie gedachte.

  6. Frank says:

    @Ilse.
    Je hebt gelijk, maar er is maar een beperkte hoeveelheid nuance die je in pakweg 1000 woorden kan stoppen. En dan nog is het afschrikwekkend Hemmesiaans geworden allemaal, vrees ik.
    Om dan even op je kanttekeningen in te gaan:

    1) Dat klopt. Het is dan ook geen beschrijving van de huidige situatie (helaas). Maar ik denk wel dat de burgermaatschappij op dergelijke waarden moet draaien. Dat begint ermee dat mensen die zich erdoor verbonden voelen, ze ook gaan uitdragen. Zo’n gemeenschappelijke identiteit kan je best gestalte geven. Maar dan moet je je niet door de populisten laten verleiden om tolernatie en multiculturalisme ‘dood’ te verklaren.
    2) Wederom eens. Daar heb ik eerder al een stuk geschreven over ‘Luie burgers’ en manieren om participatie te vergroten. Ik weet niet of Jip-en-Janneke taal de oplossing is, want dan dreigt al snel oversimplificatie van de problemen. De Jip-en-Janneke-proof uitspraak: “Het is allemaal de schuld van de moslims en de massa-immigratie” is uitermate simpel, doch niet bijzonder genuanceerd. Bovendien laat J&J-taal ook een zekere minachting voor het volk zien. Dat mensen te dom zijn om anders politiek te begrijpen.
    3) Dat weet ik niet. Hoop en de vooruitgangsgedachte waren vroeger best belangrijke drijfveren. Om te strijden voor stemrecht, een minimumloon, een collectieve zorgverzekering, welvaart etc.
    Ik denk dat het probleem eerder is dat we meer hebben, en dat de potentie aan wat we kunnen krijgen minder is. M.a.w. vroeger had je niet zoveel, dus was er veel verbetering mogelijk. Maar nu zijn we vooral bang om vanalles kwijt te raken, omdat we zoveel hebben dat we kunnen verliezen. Dat, en het is ook moeilijker te bedenken waar de vooruitgang precies zou moeten liggen in Nederland.

    Overigens bedacht ik me later dat er een 4e factor is die ik ben vergeten te benoemen. Dat is ‘publiekisering’, oftwel het tegenovergestelde van privatisering. De afgelopen jaren zijn steeds meer zaken overgegaan van het publieke naar het prive domein. Maar 1 van de pijlers onder de burgermaatschappij is nou juist het gezamenlijk (democratisch) werken aan de publieke zaak. Door die publieke zaak uit te hollen, is de gemeenschappelijke basis onder de burgermaatschappij steeds kleiner geworden.

  7. Ilse says:

    Frank, ik sluit me grotendeels bij je aan. Wat betreft je punt twee ben ik zeker niet voor het onderschatten van de bevolking, maar ook niet voor het overschatten. Overheidsstukken hoeven niet te lezen als Annie MG Schmidt, maar begrijpelijker taal mag absoluut wel. De simpele taal die Wilders en consorten gebruiken is niet alleen van taal eenvoudig, maar ook van oordeel. Ik ga er vanuit dat als je slim genoeg bent om moeilijke woorden te gebruiken, je ook slim genoeg bent om de juiste nuance in normaal taalgebruik te verwerken. Tijdens mijn minor werd ons verschillende keren gevraagd om de stukken zo te schrijven dat de licht verstandelijk beperkte cliënten uit de cases het konden begrijpen. Dat viel niet mee, maar was wel haalbaar. Nu is de rest van Nederland niet eens licht verstandelijk beperkt, dus dan moet het helemaal kunnen toch?

    Wat betreft punt drie sluit ik me ook aan (wat zijn we het toch heerlijk met elkaar eens!) maar wat ik bedoelde met het liggen in de zon in het park was het hebben van een redelijke levensstandaard. Als je in een donkere ruimte zit terwijl buiten de zon schijnt zal je eerder geneigd zijn om in actie te komen om in het park te komen dan wanneer je in het park bent en eigenlijk alleen nog een ligstoeltje wilt. Met de huidige levensstandaard valt er gewoon meer te verliezen dan te winnen, dus is (dreigend) verlies nu hetgeen waarvoor mensen in actie komen. Maar wat dat betreft zitten we geloof ik al op één lijn.

  8. Herman says:

    Grotendeels ben ik het met je eens. Er zijn echter twee kanttekeningen die ik wil maken.

    Ten eerste je nadruk op universele rechten. Natuurlijk zijn er bepaalde grondrechten die voor iedereen dienen te gelden. Daarnaast is er echter in de politieke theorie de afgelopen twintig jaar veel aandacht ontstaan voor verschil. Zo kunnen er aan bepaalde groepen groepsrechten worden toegekend, juist uit respect voor verscheidenheid. Een voorbeeld daarvan is onderwijs in eigen taal. Dat is diametraal tegenovergesteld aan het idee van een volksdemocratie waar alleen aan bepaalde mensen volledige rechten toekomen. Het zou mooi zijn als die verscheidenheid tot uiting kan komen in een burgermaatschappij.

    Daarnaast is er een kanttekening te plaatsen bij het democratische gehalte van de burgermaatschappij. Rechten zijn in beginsel ononderhandelbaar. Door het toekennen van die rechten dient de democratie zich noodzakelijkerwijze binnen bepaalde marges af te spelen. Dat legt beperkingen op aan democratie. Die beperkingen worden echter juist opgelegd in het kader van gelijkberechtiging. Het hoeft dan ook geen probleem te zijn, maar is simpelweg de democratische prijs die we dienen te betalen.

  9. Frank says:

    Inderdaad, universele rechten hoeven ‘groepsrechten’ niet uit te sluiten. Hoewel ik denk dat je daar wel voorzichtig mee moet zijn, omdat groepen niet via die weg een speciale status voor zichzelf moeten kunnen creëren binnen de maatschappij. Groepsrechten mogen geen vehikel worden voor het uitspelen van onderlinge twisten e.d.. Maar binnen de burgermaatschappij moet er ruimte zijn voor diverse opvattingen en wensen. Als een groep mensen die samen kenbaar maken, is daar dus plek voor.

    Aangaande punt twee. Er staat natuurlijk nergens dat de burgermaatschappij onbegrensd democratisch is. Sterker nog, ik zou niet eens willen stellen dat de burgermaatschappij méér democratisch is dan de volksdemocratie. Het zijn simpelweg andere visies op de rol van de democratie in de samenleving. I.t.t. de volksdemocratie is in de burgermaatschappij democratie vooral bedoeld als proces om de verschillen in meningen van de burgers te harmoniseren. Ik zou niet eens willen zeggen ‘op te lossen’, want in feite is de situatie waarin de verschillende meningen blijven bestaan ook aanvaardbaar.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*