Mijn meest recente blog over piraterij in Somalië heeft veel commentaar ontvangen, instemmend en sterk afwijzend. Daarmee heeft de provocerende stelling haar doel schijnbaar bereikt. Omdat ingaan op elke afzonderlijke reactie meer tijd vergt dan ik te besteden heb, heb ik ervoor gekozen de meest ten berde gebrachte kritiek samen te vatten en er in één keer gecombineerd op te reageren. Dit essay is dus aanzienlijk langer en genuanceerder dan het eerdere artikel. Overigens wil ik hierbij opmerken dat ik Somalië heb gekozen omdat de internationale orde hier het verst is ontwricht, maar dat het eerdere artikel in principe betrekking kan hebben op ‘ontwikkelingslanden’ in het algemeen.

De voornaamste kritiek heb ik samengevat in de volgende vier argumenten:

1. Ik rechtvaardig elke vorm van (gewelddadige) toe-eigening van andermans eigendom door ‘kansarmen’.
2. Ik ontsla de ‘Somaliër’ van elke vorm van eigen verantwoordelijkheid voor zijn situatie.
3. Ik dring het Westen een interventionistische politiek op.
4. Ik ontken het recht van het Westen om de eigen orde tegen ‘buitenstaanders’ te verdedigen.

Wat betreft het eerste argument: in mijn vorige artikel repte ik van twee redenen die een uittreding uit de ‘internationale orde’ zouden legitimeren. Deze internationale orde beschouw ik als een soort uitvergroot sociaal/civiel contract, waarin wereldburgers deelnemen d.m.v. hun respectievelijke volksvertegenwoordigingen. De orde omvat onder andere internationaal recht, handelsverdragen (WTO) en andere afspraken en instituties (IMF, VN) die tussen staten onderling en alle mensen als wereldburgers gelden. Deze structuur heb ik als neoliberaal omschreven, omdat dat het gedachtegoed aanduidt dat de laatste decennia bij instituties als de Wereldbank, IMF en WTO dominant is.

De twee noodzakelijke voorwaarden die ik onderscheid om als wereldburger dit contract eenzijdig te kunnen opzeggen, zijn (1) door de orde voorgebrachte, vermijdbare radicale onrechtvaardigheid en (2) de onmogelijkheid op deze orde, of de totstandkoming ervan, invloed uit te oefenen.

‘Radicale onrechtvaardigheid’ is een term geïnspireerd op werk van de filosoof T.W. Pogge, die haar ongeveer definieert als een structurele schending van fundamentele mensenrechten, zoals het recht op leven, voedsel en adequate leefomstandigheden. Pas wanneer het systeem deze mensenrechtenschendingen voortbrengt, terwijl een alternatief systeem (tegen relatief geringe kosten) deze schendingen niet kent, is een orde radicaal onrechtvaardig.

Ter illustratie geef ik twee voorbeelden van dergelijke systeemfouten, één contemporain en één historisch.

Een hedendaags probleem is bijvoorbeeld het internationale patentrecht op medicijnen. Farmaceutische bedrijven kunnen nu 30 jaar het monopolie op een medicijn bezitten, en dat via een aantal trucs (zoals het toevoegen van een niet-werkzame stof aan een formule) verder verlengen. Door dit monopolie kunnen veel levensreddende medicijnen, o.a. tegen HIV /AIDS, niet als generiek middel geproduceerd worden. Inperking (dus geen afschaffing) van de exclusiviteitsperiode is echter niet onoverkomelijk voor een farmaceutisch bedrijf, maar kan wel duizenden mensenlevens redden door vroegtijdige beschikbaarheid van meer en goedkopere medicijnen.
Als historisch voorbeeld denk ik aan slavernij. Dit ontneemt mensen immers direct hun vrijheid, en intussen weten we dat een sociale orde zonder slavernij prima te realiseren is. Bovendien illustreert slavernij dat iets wat legaal is, niet direct moreel acceptabel is, of vice versa.

Wat betreft de legitimiteit van een wereldorde is het überhaupt discutabel of van een burger in een dictatuur verwacht mag worden dat deze zich conformeert aan internationale verdragen die door een niet-democratische regering in zijn/haar naam zijn afgesloten. Daarnaast belemmeren gebrek aan (juridische) kennis, middelen en tijd de mogelijkheid van burgers in ontwikkelingslanden, alsook hun regeringen, om internationale afspraken ten gunste van henzelf af te sluiten of te laten herzien. Dit geeft het Westen niet alleen een enorm economisch, politiek en militair overwicht, maar ook een praktische diplomatieke dominantie tijdens internationale onderhandelingen. Dat de enkele afgevaardigde van Benin juridisch niet kan opboksen tegen het honderdkoppige team van de EU is juridisch gezien irrelevant, maar geeft wel te denken over de morele legitimiteit van gemaakte afspraken.

Voor Somalië kan gesteld worden dat aan beide voorwaarden is voldaan. Bij (2) is dit alleen al het geval vanwege het ontbreken van een nationale overheid die namens de burgers zou kunnen spreken op het internationale toneel. Een expliciet ‘bewijs’ van (1) is lastiger, maar het enorme aantal doden in Somalië als gevolg van honger, ziekte en pure uitputting, en de geringe kosten die het voorkomen daarvan zijn voor het Westen, zijn een redelijke aanwijzing dat de huidige situatie niet een Panglossiaanse ‘beste van alle werelden’ is.

Hiermee betoog ik dus ook dat de door mij onderscheiden positie een uitzonderlijke is, die dus niet zonder meer op een werkloze burger in Nederland is toe te passen. Voor deze laatste geldt (1) niet omdat wij een sociaal vangnet kennen en (2) niet omdat een Nederlands burger een aanzienlijk aantal nationale en internationale politieke opties heeft. De aantijging dat ik elke vorm van wederrechtelijke onteigening door ‘kansarmen’ zou legitimeren is dus onwaar.

Wat betreft de tweede kritiek wil ik slechts opmerken dat dit niet waar is, maar dat de focus van mijn betoog simpelweg niet lag op de lokale situatie in Somalië. Natuurlijk hebben lokale factoren een enorme invloed op de situatie in een land. Echter, er is in het Westen een neiging om uitsluitend dergelijke lokale factoren als relevant te beschouwen. Met mijn eerdere betoog wilde ik de aandacht vestigen op het internationale kader waarin deze lokale factoren zich kunnen doen gelden, en waardoor deze beperkt worden. Wie niet in dergelijke internationale kaders gelooft, hoeft alleen maar naar het geval Griekenland te kijken. Als een dergelijk, relatief ontwikkeld land al een speelbal kan worden van internationale markten, supranationale instanties en globale economische ontwikkelingen, is het niets meer dan een farce te veronderstellen dat een ontwikkelingsland als Somalië wel volledig autonoom over haar eigen lot kan beschikken. Het is dus realistischer te accepteren dat de internationale structuur invloed heeft op nationale situaties. Zij die deze structuur scheppen, vormgeven en in stand houden dragen dus een morele verantwoordelijkheid voor haar consequenties.

Overigens wil ik ook kwijt dat een aantal reacties in deze categorie mij behoorlijk gevoelloos en cynisch voorkomen. Een argument als ‘dan moeten ze maar geen burgeroorlog voeren’ is makkelijk gemaakt vanuit de welvaart en veiligheid in Nederland, maar heeft voor de burgers aldaar net zoveel relevantie als een opmerking dat men de hongerdood kan voorkomen door meer te eten.
Bij de derde tegenwerping, namelijk dat ik tot Westerse interventies zou oproepen, wil ik opmerken dat ik nergens expliciet heb ingezet op een interventionistische politiek van het Westen. Sterker nog, mijn betoog kan worden gezien als anti-interventionistisch. Niet omdat ik bij voorbaat humanitaire interventies afkeur, maar omdat deze ineffectief zijn als het internationale systeem zelf humanitaire problemen voortbrengt. Interventies zijn dan slechts een vorm van symptoombestrijding die op korte termijn weliswaar ondraaglijk lijden kunnen verlichten, maar op lange termijn geen oplossing bieden. Immers, als wij hier onze economische ontwikkeling stimuleren ten koste van economische ontwikkeling elders (door ongunstige handelsvoorwaarden) of verdienen aan patenten die elders de verspreiding van goedkope medicijnen voorkomen, hebben ‘humanitaire’ acties geen zin. Dat staat dan gelijk aan met de ene hand slaan, om met de andere een pleister te plakken.

De strekking van mijn betoog is dan ook niet een roep om méér interventies, maar een pleidooi voor een eerlijker internationale orde, waarin de noodzaak voor dergelijke interventies langzaamaan afneemt. Dit is niet geheel kosteloos. Aanpassing van intellectueel eigendomsrecht kan de winsten van farmaceutische bedrijven doen afnemen, en een hervorming van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft gevolgen voor de agrarische sector. Maar dergelijke structurele veranderingen zijn wellicht minder kostbaar dan de stroom aan humanitaire hulp die nu noodzakelijk is om de negatieve gevolgen van een economische structuur te compenseren.

Het laatste argument dat ik wil behandelen is de aantijging dat ik het recht van het Westen ontken om haar schepen en zeelieden tegen piraten te verdedigen. Dat is geenszins het geval. Ook in mijn vorige artikel heb ik dat expliciet aangehaald. Mijn stelling was dat voor een individu buiten de wereldorde de door ons opgestelde en erkende begrippen als ‘eigendomsrecht’ of ‘criminaliteit’ betekenisloos zijn. Immers, deze concepten kennen geen objectieve geldigheid en ontlenen hun gestalte slechts aan onze keuze ze te begrijpen en erkennen. Ik zal grif toegeven dat dit een meer theoretische dan praktische bespiegeling is, maar als opzet tot een provocerend artikel voldeed zij.
Hiermee hoop ik een wederwoord te hebben gegeven op een aantal kritische reacties op mijn eerdere artikel. Ik koester niet de illusie dat deze voor eenieder bevredigend zullen zijn, of dat de discussie hiermee is afgedaan. Debatten van deze soort blijven immer een kwestie van perspectief, wellicht ook ideologie. Desalniettemin denk ik dat het belangrijk is discussies als deze te voeren, opdat wij niet vergeten dat onze invloed, en dus ook onze verantwoordelijkheid voor onze medemensen, verder reikt dan de landsgrenzen.

 

Noot: Het oorspronkelijke artikel is op Joop.nl verschenen onder de titel “Somalische piraterij is niet crimineel”. De gewijzigde titel is een correctere weergave van het filosofisch argument in het eerste artikel.

 

2 Responses to RE: Somalische piraterij is legitiem

  1. jasper vs says:

    Complex stukkie tekst met zeker verzachtende opmstandigheden voor de moderne Capitain sparrow

    “Het laatste argument dat ik wil behandelen is de aantijging dat ik het recht van het Westen ontken om haar schepen en zeelieden tegen piraten te verdedigen. ”
    Kijk als we zaken zo gaan formuleren zijn we leuk bezig. Het zijn ook gewoon de zeelieden die bescherming vragen aan het westen voor het voortzetten van hun werkzaamheden. Het zijn westrse militaire apparaten waarmee ze samenwerken.
    En zonder die bescherming wordt hen een probleem in de schoene geschoven

    Tevens mis ik in jouw het hele idee van een individuele slachtoffer en een individuele profiteur. Er mag dan een denkbeeldig sociaal contract zijn, maar dat wordt voor iedere wereldburger somalier of niet min of meer ondertekend klaargelegd. Je kan het in vaste vorm ondertekenen of zelf piraat worden.
    Het schip dat toevallig van de middelandse zee naar de indische oceaan vaart heeft vaak weinig met somalie te maken. Het is simple at the wrong place at the wrong time. En de somalier die hier de zaak leegroofd is at right place at the right time in tegenstelling tot die mensen waar hij zogenaamd landgenoot van is.

    Vraag is ook eigenlijk zijn de somaliers wezens in beschaving of zijn het roofdieren in de wildernis

    • Frank says:

      Hey Jasper, leuk dat je ook reageert op wat oudere stukjes 🙂

      Het was geenszins de bedoeling met mijn stuk de tragedie van een individueel voorval te ontkennen. En ik wil ook zeker niet de zeelieden die toevallig langs Somalië varen, enige schuld of verantwoordelijkheid toedelen.

      Maar je verwoordt het zelf best goed. Men wordt geboren (geworpen?) in een wereld waar reeds een (internationaal) sociaal contract heerst. De opties zijn ondertekenen of opzeggen. Voor veruit de meeste mensen is meegaan in de orde het meest winstgevend, hoewel er wel aanleiding kan zijn binnen de geldende regels het contract te veranderen.

      Of Somaliërs roofdieren in de wildernis zijn, of wezens in beschaving, hangt denk ik dus af van wat vanuit het perspectief van een Somaliër het meeste oplevert, of in ieder geval een zekere bestaanszekerheid garandeert. Als het zijn van een ‘wezen in beschaving’ uiteindelijk leidt tot de hongerdood, is het niet vreemd dat men terugkeert tot de spreekwoordelijke wildernis.
      Waarmee ik dus vooral wilde zeggen dat het simpelweg verdedigen van onze schepen en belangen geen oplossing voor het probleem is. Want het maakt de beschaving voor de Somaliër niet aantrekkelijker. Als we willen dat het geweld stopt, moeten we ervoor zorgen dat ook voor een Somaliër het internationaal sociaal contract een betere optie is.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*